De ondraaglijke humorloosheid van de journalistiek
Recensie: Jong en eenzaam, door Kevin van Vliet
Zodra je als journalist het vakgebied een spiegel voor houdt, zoals Kevin van Vliet doet in zijn nieuwste boek Jong en eenzaam, schiet de beroepsgroep die zelf de godganse dag iedereen en zijn moeder de maat neemt in een collectieve kramp.
Op de middelbare school beloofde ik mezelf twee dingen voor als ik later groot zou zijn: nooit meer gekookte aardappelen eten, of Nederlandse literatuur lezen. De combinatie van doodgekookte - en met maizena ingebonden - groente bovenop glazige aardappels gekwakt met het vooruitzicht om Harry Mulisch verplicht te moeten lezen, hebben vakkundig élke positieve associatie met beiden vermorzeld.
Geen betere remedie tegen de principes van je zestienjarige zelf dan ordinair en schaamteloos nepotisme: journalistiek geestverwant, voormalig collega en Trouw-correspondent in Zuid-Afrika Kevin van Vliet publiceerde onlangs zijn quarterlife crisis-kroniek: Jong en eenzaam. Dus sloeg ik voor het eerst in jaren toch weer een literair werkje open.
Zelf noemt Kevin het: ‘Een journalistiek boek. Alles is precies echt zo gebeurd!’ Aangezien ik, met name in de laatste hoofdstukken, anekdotes over bijvoorbeeld mijn eigen Portugese overburen herkende in een scene waarin capriolen van bewoners in een gesticht (waar een zeker ‘orakel uit Ede’ genaamd ‘Geurt’ resideert) worden beschreven, kan ik beamen dat - hoewel er niks van klopt - er geen woord aan is gelogen.
Precies de reden waarom recensenten liever hun handen niet aan deze Prometheus-sleutelroman branden. Normaliter staan hoofdstedelijke dagblad-recensenten te trappelen om het zoveelste zielenroersel van vroege dertigers die zich in hun eigen kringen begeven heilig te verklaren en onder te dompelen in de literaire ballenbak. Vaak bewierrookt in termen zoals ‘ontroerend’, ‘ontwapenend’, en ‘herkenbaar’ bovendien! Tot het iets té herkenbaar wordt, want hoewel er in letterlijke zin van zijn beschrijvingen over de journalistiek waarschijnlijk niets klopt - is ook daar geen woord aan gelogen.
Eerlijkheid wordt in de journalistiek namelijk niet echt gewaardeerd. Van Vliet is qua eerlijkheid echter ‘full retard’ gegaan waardoor zijn boek - op een collegiaal ‘vooruit dan maar’ interviewtje in Trouw en een uitermate zuinige recensie in de Volkskrant na - wordt genegeerd.
Eigenlijk heeft de schrijver hiermee al zijn beste aanbeveling binnen, maar tegelijkertijd is dit boek voor iedereen die wil weten waarom de journalistiek het leukste vak ter wereld is, maar waarom journalisten de meest verschrikkelijke mensen ter wereld zijn (en daar schuddebuikend over willen lachen), een absolute aanrader.
Rede haalt niks uit
Vijf jaar nadat hij naar Zuid-Afrika vertrok, is Kevin van Vliet terug in Nederland om een nieuw werkvisum aan te vragen. ‘Daar wordt hij geconfronteerd met zijn vroegere zelf en dreigt hij emplooi en verstand te verliezen’, aldus de flap.
Vanaf het moment dat de wielen van het vliegtuig vanuit Zuid-Afrika het asfalt op Schiphol raken, blijkt de hoofdpersoon in een staat van permanent sluimerende en steeds sneller escalerende paniek: ‘beneden ligt Nederland in jaarlijkse uitvaartstemming. De koppen ernstig en grauw vanwege de regen die alweer maanden onafgebroken valt, en het gesteun en geklaag dat slechts ten doel stelt het zelf te ontlasten door de ander te bezwaren’. Een land waar ‘alle ruimte voor fouten is geëlimineerd, waardoor het vermogen tot behelpen al jaren niet meer is gekweekt’.
Kevin moet zich zien te handhaven tussen voormalig landgenoten met de onuitstaanbare neiging alles in het gezichtsveld continue luidkeels te recenseren (‘man man man, lekker geregeld weer’), en omschrijft de verstikkende claustrofobie van binnen vijf minuten na landing direct afhankelijk te zijn van een bureaucratie die niet voor rede vatbaar is. Zo vergeet hij zijn paspoort in het vliegtuig, beseft dit als hij de slurf uit loopt, maar zomaar teruglopen kan niet: ‘Gewoon doorlopen net als iedereen!’ Ook de Marechaussee blijkt onverbiddelijk: ‘Di-ga-nie-werreke, meneer’.
Rede haalt niks uit, welkom thuis.
Na vijf jaar in het buitenland te hebben gewoond loopt hij vervolgens vervreemd door zijn geboorteplaats Harderwijk. Het gevoel van onthechting wordt versterkt door zijn moeder, die heel veel dingen tegen hem zegt, maar nooit mét hem praat (wist je trouwens al dat de achterneef van Greetje de Vries - jeeehweeeeel, die ken jij wel: je hebt nog met zijn schoonzus op de peuterspeelzaal in de Kennedylaan gezeten! - kanker heeft?). De doodswens die hij uitspreekt na ‘48 uur in deze put’ is even hilarisch als meelijwekkend.
Het absurdisme waarmee hij Nederland en de inwoners omschrijft, door de ogen van een relatieve buitenstaander, is de kritiek.
Glutenvrije koekjes
Een kritiek die je volledig ontgaat wanneer je jezelf te serieus neemt. Zoals de recensent van de Volkskrant, Lotte Krakers, die zelf vijf jaar geleden een boekcontract heeft getekend (waarbij wij allemaal in zinderende spanning op het resultaat wachten) en in Kevin van Vliet vooral een ‘fanboy’ van Gerard Reve ziet. En net zoals bij Reve wordt ook bij Van Vliet de vorm gelezen als pose, terwijl het juist een manier is om iets wat net zo onuitspreekbaar als serieus is tóch te kunnen zeggen.
Zoals het feit dat de journalistieke beroepsgroep een decadente poel des middelmatig verderfs is. Enerzijds vinden we in zijn boek de laatsten der Mohikanen van Paradijsvogels uit de liederlijke bladentijd, waar kroegbonnetjes van afgelopen dinsdagnacht 02:43 nog konden worden ingeleverd onder het mom van een ‘brongesprek’, of je arm volspuiten in de redactieplee niet direct tot ontslag op staande voet leidde. Een generatie waarbij boekvoorschotten ze meerdere weken vooruit kon helpen, in plaats van enkele dagen, maar die zich in diverse snelheden naar de tering zuipt. Van Hafid Bouazza (‘Hamza’) tot Arthur van Amerongen (‘Geurt’).
Anderzijds is daar de nieuwe generatie van afgemeten ambtenaren in bloemetjesoverhemd die dagelijks van Landsmeer op de elektrische fiets naar de hoofdredactionele burelen forenzen, en onderling meer vergaderen over het gebruik van mogelijk kwetsende woorden in hun krant dan lezers informeren over wat ze om zich heen zien gebeuren. Geen idee of Trouw-hoofdredacteur Karel Smouter (‘Hoofdredacteur Grobbelaar van De Betere Wereld’) zijn eigen krant leest, maar de observatie dat je hoofdredacteuren vrijwel nooit buiten vergaderzalen vindt, geldt eigenlijk voor ieder medium.
Het is juist in die vergaderzalen waar de journalistieke navelstaarderij zich pijnlijk aftekent, waar de wereldvreemdheid zich manifesteert tijdens oeverloos gehakketak dat zelfs de grootste optimist binnen een half uur een essay over het principe van een Voltooid Leven-euthanasie kan laten pitchen. Een vergadering die Kevin als volgt beschrijft:
‘De deur gaat dicht en de lucht wordt zwaarder, hoewel het plastic ventilatierooster in het plafond verse lucht schijnt aan te voeren (het lampje brandt groen). Er vangt een bits stoelschuiven, penverplaatsen en voorbereiden aantekenen aan, met de gerichtheid van een orkest zonder orkestleider en zonder coördinatievermogen, dat de instrumenten dan zelf maar stemt’.
De Congolees-Nederlandse opiniemaker ‘Zwarte Mamba’ ontwikkelde het bijzondere vermogen om in een pak hagelslag de VOC-mentaliteit van De Ruijter te vinden, en in een pot chocoladepasta de Apartheid van Verwoerd, en begon al gauw onze lezers een collectieve schuld aan de trans-Atlantische slavernij in te peperen waarvan ze niet wisten dat ze die bezaten. Het zwijgende deel der redactie, de overgrote meerderheid, trok zich van de telastlegging aanvankelijk weinig aan omdat er een christelijke ethiek in de idee te herkennen viel. Bovendien was men te druk met de aanstaande kindervakantie, de cao-besprekingen en het daaraan verbonden lot van de dakkapel’.
Even later in diezelfde vergadering (vlak na een discussie over gebruik van het woord ‘zelfmoord’ want dat moet natuurlijk ‘gezelfmoord’ of ‘zelfdoding’ zijn), vangt een luide stilte aan. Je zou het bijna vergeten maar er moet nog een krant gevuld worden:
‘Het is oorlog in Soedan’, zeg ik
’Tja’, zegt de chef. ‘Het is natuurlijk wel vaker oorlog in West-Afrika’.
’Oost-Afrika. Er zijn duizenden burgerdoden gevallen….’
‘- en we hebben daar nu even niemand zitten -’
’…bijna allemaal zwarte Darfuri…’
’— ‘t is altijd lastig hoor, zulke kwesties -’
’…vermoedelijk genocide…’
’En het is ook een beetje ver weg voor onze lezer. Hebben we nog iets anders, misschien?’
Ik voel dat ik moedeloos ben. Wat doe ik hier? De vergadering valt op dit punt uiteen in losse, kernachtige fragmenten:
’We moeten urgent zijn’
’Onze krant is een krant voor iedereen’
’Ik heb glutenvrije koekjes’
’Hoe verhouden we ons nou tot onze idealen?’
’Rots, ga even zitten’
’Vrouwen zijn misdeeld!’
’Waar is Jan?’
Wild gehoest
’Een aanval op de rechtsstaat is een aanval op ons allemaal’.
’Rots hier hebben we het al over gehad’
’Jongens, koekjes’
Er klopt feitelijk waarschijnlijk geen hout van, maar als journalist die meerdere redactievergaderingen heeft meegemaakt bij diverse media (en genoeg om ze zoveel mogelijk te willen mijden), durf ik de hypothese te poneren dat dit precies is zoals het is gegaan. Want waar over het één urenlang wordt vergaderd (‘kunnen we dit zo neerzetten’), worden tegelijkertijd met een bijna achteloze vanzelfsprekendheid en gnuivend genoegen ongefundeerde beschuldigingen en/of laaghartige beledigingen aan het adres van PVV’ers, BBB’ers of JA21’ers neergepend.
Talentloze nepobaby’s
Waar de Volkskrant in haar recensie in de beschrijvingen een ‘iets te vette kolder’ ziet van ‘sterke verhalen’ en ‘kroegpraat’, zie ik in Kevin iemand die het verschil beschrijft tussen echte betrokkenheid en de taal ervan.
Van Vliet is niet de eerste en zal zeker niet de laatste correspondent zijn op het Afrikaanse continent die grootse regionale politieke omwentelingen moet verkopen aan een redactie die graag een ‘Nederlands haakje’ wilt, omdat anders de mythische lezer namens wie ze altijd menen te spreken (en die veelal op bezweerderige toon wordt genoemd, alsof het daarmee minder duidelijk een dekmantel tegen eigen luiheid of desinteresse wordt) het ‘niet interessant’ zal vinden of ‘niet zal snappen’.
Redacties hullen zich in toenemende mate in een geëngageerd idioom, ongevraagde kanttekeningen en niet ter zake doende mitsen en maren als taalkundige aflaat van een pijnlijke vervreemding van degenen die aan de ontvangende kant in de samenleving staan. Zoals Van Vliet beschrijft: ‘de Ander - om wie het nou juist gaat - raakt almaar verder uit het zicht’. Deze gedachte wordt onderbroken door de chef nieuws die hem vraagt of hij ‘ons manifest eigenlijk al hebt ondertekend?’ Als er dan toch een Koot & Bie-referentie in een boekbespreking moet komen, laat het dan een verwijzing naar Jetje en Koosje Veenendaal-activisme zijn.
De hele redactiescène vormt een terechte aanklacht tegen een beroepsgroep die pedante borrelpraat steevast verwart met engagement. Een engagement dat dermate hol is dat je ter verzekering van inkomen alleen nog maar het juiste deuntje hoeft op te dreunen (nooit te onderbouwen, want bevraging is een zeldzaamheid in een omgeving waar iedereen hetzelfde denkt), en jezelf eigen moet maken als vervoegingen van onregelmatige werkwoorden in een nieuwe politieke taal. Uiteraard zijn in deze semantische heilstaat van ideologische uniformiteit sommige varkentjes gelijker dan andere varkentjes.
Het beste voorbeeld hiervan is de rits aan talentloze nepobaby’s die over de dagbladen zijn uitgestort. Zo heeft Lena Bril (dochter van) een adviesrubriek in Trouw met titels als ‘Mijn vriend in psychische nood gebruikt het n-woord. Wat moet ik doen?’ en ‘Mijn collega stemt op een partij die tegen mijn waarden ingaat. Wat te doen?’ Jessica Kuitenbrouwer (dochter van) mag in dezelfde krant ‘persoonlijke verhalen schrijven waarin ze haar eigen leven analyseert’ met levensvragen zoals ‘doe ik te moeilijk over botox en fillers’ en edgy takes als ‘Amsterdam heeft een nazi-probleem’. Milou Deelen (dochter van Barbara van de Beukering) werd als jonge student na een paar Facebook-post plotsklaps gelanceerd als ‘feministisch journalist’, deed mee aan de Slimste Mens en liet zich in coronatijd inhuren door het RIVM voor een communicatieklus. Opvallend bij de mediale nepobaby’s: gehuld in principiële schijn grossiert men in deze Libelle-niksigheid.
Wrokkig
Bovenstaande observaties delen journalisten volop met elkaar in WhatsApp-groepen (waarbij ordinair nepotisme hooguit zuinigjes wordt opgemerkt met: ‘toch raar dit’), of worden binnensmonds gemopperd bij het koffie-apparaat. Geheel tegen de beroepscode in zal de stille meerderheid nooit opschrijven wat ze zien en hoe ze het zien, want straks schop je de journalistieke adel tegen de schenen - zij die doorgaans de jury’s van prijzen en toewijzingscommissies van subsidies bevolken. Opzitten. Pootjes geven.
Er rust in de journalistiek een omerta op de evidente ridiculiteit van eigen kring. Jong en eenzaam leest juist in de schaamteloze verkenning van deze gekte net zo koortsachtig als de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ van Dostojevski, alleen zijn deze schrijfsels niet bedoeld om in een la te eindigen. Van Vliet maakt geen vlucht naar binnen maar keert de buitenwereld - Nederland, Zuid-Afrika, krantenredacties, zijn ouderlijk huis, zijn mentor Don Geurtorito in de Algarve - binnenste buiten omdat deze stuk voor stuk naar binnen zijn gekeerd. Allemaal zitten ze muurvast in hun eigen, gekmakende en absurdistische, wereld.
Dat is niet, zoals de Volkskrant gemakzuchtig bestempelt, ‘wrokkig’, of taal van iemand die nog ‘een appeltje heeft te schillen’. Integendeel, Kevin spaart zichzelf nog het minst. Misschien is dat juist de kracht die de journalistiek, de literaire wereld en misschien ook Nederland (‘ons klein landje dobberend op de woeste baren van het wereldgeweld’) in bredere zin is verloren.
Reviaanse ironie gaat steevast voorbij aan mensen die zichzelf te serieus nemen om de eigen waanzin en absurditeit te (h/v)erkennen. Ik gun iedereen wat meer gekte: Jong & Eenzaam is een goed begin.
Kevin van Vliet, Jong en eenzaam graag direct bestellen bij Uitgeverij Prometheus om verdere verloedering van het schrijversbestaan te voorkomen.
Steun mijn werk, wordt ook onderdeel van het nepotistische netwerk en schrijf je in, deel het artikel of overweeg een lidmaatschap!
Uiteraard is een losse bijdrage ook mogelijk!


