I.M. Smuk (2017-2026)
Ode aan de beste hond ooit
In rap tempo overwoekert de eens nog zachtjes sluimerende auto-immuunziekte onze hond Smuk als een agressieve klimplant. Ze is te lief om te laten lijden, maar te dierbaar om nu al te laten gaan.
‘D’r zit een kop op, maar dat ken jij wel hebbe’. Met exact die woorden kreeg ik negen jaar geleden van de fokker een Akita Inu pup van 8 weken in mijn handen geduwd. Ze rook naar Zwitsal-babypup en voelde als een pluizig zakje tere kippenbotjes. Ze introduceerde zichzelf thuis door tegen onze andere hond - de toen zesjarige Shiba Inu Jack - op te rijden, en er vervolgens met zijn speeltje vandoor te gaan - de tuin in.
Het was wel duidelijk wie de show zou gaan runnen.
Dezelfde dag nog kwam ik erachter dat ‘pups slapen veel’ een optelsom is van een twee uur durende loop die bestaat uit rondstuiteren - deurmat opvreten - tegen je muur aanpoepen - eten - crashen - repeat. In het donker van de eerste nacht veranderde de bijdehante stuiterbal in een piepende bange pup en ging ik op de grond naast haar liggen, vingers door de tralies van de bench, waar ze tegenaan in slaap viel.
‘Appy and-uuuuh…frie spiritud
We noemden haar Smuk, een verbastering van het Engelse woord smug omdat Japanse honden een ietwat verwaande uitstraling hebben. Het Japanse ras is eenkennig en niet bepaald gehoorzaam. Het zijn geen labradors of herders die zich zomaar laten trainen. Akita’s zijn gefokt om zelfstandig te jagen, te waken en dus zélf keuzes te maken. Zoals jou straal negeren. Ze doen niets waar ze het nut niet van inzien. Jou een plezier doen is geen (ik herhaal: geen) onderdeel van de equation.
De meeste honden komen vrolijk op je af huppelen als je twee octaven hoger gaat praten: Smuk kijkt je aan of je wel helemaal lekker in de bovenkamer bent. Mening passant (met name types die zichzelf en hun ongevraagd advies introduceren met zinnen als ‘ik ben heel goed met honden’) zagen we bij ieder onbeantwoord kussie-kussie-koetjie-koetjie-geluidje steeds een beetje meer sterven van binnen. Een enkeling werd zelfs boos als Smuk het na tien seconden wel had gezien met de ongemakkelijke eenmansshow, zich omdraaide en wegliep (‘dat is geen sociaal gedrag hoor!’).
Als het haar uit kwam was Smuk extreem sociaal. In de zomer vond ik haar regelmatig temidden van BBQ’ende gezinnen in het park, tevreden knagend op een toegeworpen stuk vlees terwijl kinderen haar vertederd aaiden. ‘Is dit dezelfde hond als Hachi?’ Twee jaar terug raakte dezelfde-hond-als-Hachi pleite op een strandeiland en terwijl mijn paniek groeide na iedere toerist voor wie ik mijn telefoon omhoog hield met haar foto maar die haar niet had gezien, wees een vrolijke Fransman mij de weg: ‘Oui oui, she iez roenning over tzere! She looked very ‘appy and-uuuuh.. frie spiritud!’ Na een half uur, binnensmonds haar ‘‘appy frie spirut’ vervloekend, vonden we haar in een duinpan waar ze zich liet fêteren door een picknickend jong stel, dat insta-reels van haar maakte terwijl ze op een halve komkommer knaagde. Nooit zag ik mensen zo blijmoedig beroofd worden als door Smuk.
Ze luisterde goed, althans voor een Akita. Dat betekent in 80% van de gevallen, bij mijn echtgenoot was dat ongeveer 50-50, bij anderen een stabiele 0%. De eerste twee jaar kreeg ze geen eten uit de bak, maar ging elk brokje via clickertraining. Eentje voor netjes zitten bij het stoplicht, een handvol als ze meteen terugkwam wanneer ik haar riep. Twee handen vol als ze terugkwam nadat ze had gekozen voor mij in plaats van het konijn waar ze achteraan wilde. Ze moest werken voor haar eten, en er was volgens haar genoeg te doen.
‘Houw die rrrrothond baaaaije’
Smuk hield ongevraagd eigenhandig het konijnenbestand op peil in het Twiske en rende ooit het park uit met een muskuseend in haar bek, die ze trippelend van trots mee naar huis nam (waar ik vervolgens scheldend achteraan rende om 06:45 ‘s ochtends). De eend overleefde de aanval, onze reputatie in de buurt niet. Ze ging mee in galop met paarden, dreef Schotse Hooglanders bijeen om er vervolgens een victorie-rondje omheen te rennen of verdween tussen het riet om zwanen en eenden op te jagen zodat ze langs de waterkant met hen mee kon razen terwijl de vogels over het water renden.
Met haar hardlopen of longboarden ging niet want er waren onderweg veel interessantere dingen te doen dan slaafs meerennen. We hadden in de gang een stapel oude handdoeken liggen, want bij thuiskomst was haar onderstel steevast zwart van de modder. De deurklinken moesten we een kwartslag draaien, want anders Jurassic Park-te ze zichzelf na de ochtendwandeling zo de slaapkamer in, met haar moddersmerige poten.
‘Smuk houdt van de wereld, en de wereld houdt van Smuk’, zei onze Amsterdamse dierenarts altijd over haar. En als de wereld ons niet zo leuk vond, zochten we gewoon een leuker deel van de wereld op. Toen in coronatijd het park werd overgenomen door pafferige Zaanse huisvaders in spandex die off the grid gingen ‘mountainbiken’ op wandelpaden (DING DING DING ‘houw die rrrrothond baaaaije’) en gemondkapte moeders die hun kroost achter zich trokken zodra we in het zicht kwamen (‘OOK HONDEN KUNNEN DRAGER ZIJN!!!’), pakten we de auto als het nog donker was om met het eerste licht, half uur voor zonsopgang, in het uitgestrekte lege duingebied bij Wijk aan Zee te wandelen.
Tijdens de laatste lockdown besloten we dit principe door te trekken, en vertrokken naar de verlaten stranden en stille heuvels van de Algarve. Ze voelde zich er, net als wij, meteen thuis.
Smuk was net zo stronteigenwijs als ze loyaal was. Alles deden we in haar ogen samen, zelfs als ze in haar eentje een veel te grote stok besloot mee te slepen. We waren ook altijd samen. Ik en mijn harige schaduw. Al het schrijfwerk van de afgelopen negen jaar is getikt met 35 kilo zelfgenoegzaamheid aan mijn voeten.
Met diezelfde 35 kilo kroop ze soms alsnog op schoot, of sprong ze bovenop mij als ik niet snel genoeg wakker werd. Elke middag om 16:00 kwam ze mij ‘halen’ door haar kop op mijn arm te leggen, en als ik haar een uur later nog niet had uitgelaten (‘jaahaaa kom zo, effe alinea aftikken’) ging ze keffend met kussens gooien. Tijdens het koken zat ze op een afstandje zorgvuldig te kijken of er niets op de grond viel, tijdens het werken in de tuin lag ze als een soort opzichter in de buurt mee te kijken.
Als ik naar bed ging, ging ze ook. Al negen jaar lang zet ik geen wekker: vlak voor de zon opkomt, krijg ik een lik over mijn neus. Mijn man nam haar eens mee naar het strand toen ik ging surfen zodat hij ondertussen met haar een wandeling kon maken. Ze weigerde het punt te verlaten waar ik het water in was gegaan, en bleef naar de zee staren tot ik er weer uitkwam. Ze blaft tegen onbekende mensen in huis (zoals loodgieters) om ze op afstand te houden, maar stopt met blaffen zodra wij weg zijn. Akita’s bewaken geen huizen, maar mensen.
Opgevroten door een reddingsboei
De Smuk die ik hierboven omschrijf is de afgelopen weken - misschien wel maanden - stukje bij beetje verdwenen, overwoekerd door ziekte. Een agressieve klimplant die zich langzaam om haar heen is gaan wikkelen om uiteindelijk alles wat Smuk, Smuk maakt te smoren.
Rationeel gezien moeten we dankbaarheid voelen. Ze zit al 3,5 jaar in geleende tijd. Vlak na de verhuizing naar Portugal stortte ze in en bleek een auto-immuunziekte te hebben, haar immuunsysteem valt zichzelf aan en dus slikt ze prednison om datzelfde immuunsysteem plat te leggen. Maar het dagelijkse pilletje van 20mg dat haar extra tijd geeft, vreet haar lichaam op. Het tast haar spieren aan, haar lever werkt minder goed en ze moet ijzerpillen slikken tegen bloedarmoede. Het maakt haar ook meer vatbaar voor infecties.
‘Ze vreet zichzelf nog eens dood’, zeiden we altijd tegen elkaar. Want Smuk is dol op jagen, snuffelen en schransen en sinds ze aan de prednison zit, ziet vrijwel álles er eetbaar uit. Zojuist probeerde ze nog - knorrend als een truffelvarken - een zak tuinmest open te krijgen. Twee jaar geleden vrat ze een stuk aangespoelde vis op en raakte haar milt ontstoken. Een andere keer ontstak haar lever na het wegschrokken van een onidentificeerbaar onwelriekend organisch voorwerp uit de bosjes. Soms was er een ontsteking zonder directe aanleiding.
Gemiddeld drie keer per jaar sloeg het lijf op hol en zat ze weer in het dierenziekenhuis in Faro een paar dagen aan het infuus. We kregen haar steevast terug met een kaalgeschoren buik en stukjes geschoren poot van alle echo’s, röntgenfoto’s, bloedtesten en infusen. Een aantal keer was het haar nog amper teruggegroeid of moest het scheerapparaat er alweer overheen. Het hebben van een volgroeide vacht was bij haar een goed teken, want elk ziekenhuisbezoek kregen we haar een stukje minder sterk terug.
Haar laatste schransbui, hompen varkensvet die ze, nadat ze uit de tuin ontsnapte voor een ommetje, ergens tussen autowrakken had opgedoken en een uur later uitkotste, zorgde ervoor dat niet een enkel orgaan maar de hele santenkraam ontstak: maag, lever, darm. Haar artritis-pootje verdubbelde in omvang, de sporadische oorontsteking die ze wel eens had is terug in volle glorie. Ze slikt dagelijks drie ijzerpillen maar heeft alsnog bloedarmoede. Ze slikt pillen om haar lever te beschermen maar die kan het werk ook niet meer aan. Haar lichaam neemt geen voedingsstoffen meer op. We wisten dat ze nooit beter zou worden, maar het ziet er nu naar uit dat ze zich nooit meer beter zal voelen.
Honden leven alleen in het nu en beleven alles volop. Het plezier, maar ook de pijn. Er bestaat niks anders dan wat er nu is. Smuk ligt op moment van schrijven niet aan mijn voeten, maar een paar meter verderop. Op het hoekje, uit het zicht, maar ook niet te ver weg. Uitgeteld, verzwakt, doodop. De voorheen zo fiere kop ligt nu verslagen tussen de poten. Heel soms op haar zij, zwaar ademhalend. Af en toe komt ze om een knuffel vragen, of eerder om hulp die ik ook niet meer kan geven. ‘s Nachts spookt ze en ga ik naast haar liggen op de grond, zodat ze met haar hoofd op mijn hand in slaap kan vallen.
Bij onze vorige hond hebben we te lang gewacht, ik zal het mezelf nooit vergeven. Liever een maand te vroeg dan een uur te laat, besloot ik toen. Dus moest ik net de dierenarts vertellen dat het klaar is, en ook dat ga ik mezelf nooit vergeven.









Hulde voor deze ode 🧸
Sterkte jullie