‘Oekraine moet winnen’, alleen: niemand kan vertellen hoe dat er precies uit ziet
Totaal niet problematisch, dit.
Geen enkele politicus zal zeggen dat ze wapens sturen ‘op hoop van zegen’. Ze motiveren de leveringen door een eindzege in het vooruitzicht te stellen. Toch kan niemand vertellen hoe die zege er uit ziet. Hoog tijd om deze bekende Haagse valkuil eens onder de loep te nemen.
Minister Kajsa Ollongren (Defensie) vertelde in WNL op Zondag dat de Russische president Vladimir Poetin de oorlog in Oekraïne koste wat het kost wil winnen (20 maart 2022). Tegelijkertijd heeft volgens Ollongren “Oekraïne in zekere zin al gewonnen doordat de oorlog al zo lang duurt, dat was onverwacht voor Poetin” (BNR, 5 mei 2022). Het doel is duidelijk: volgens de woordvoerders van Defensie journalisten van NRC zei Ollongren “vol vuur” tegen een sergeant-majoor dat “de Oekraïners daar nu wél een oorlog uitvechten. Een oorlog die ze niet mogen verliezen” (16 februari 2023). Een week later liet ze een zaal Leidse studenten weten dat “onze betrokkenheid bepaalt wie deze oorlog wint” want “Poetin maakt nog altijd kans om deze oorlog te winnen.” De echte reden voor westerse hulp is dan ook “dat Rusland deze agressieoorlog niet mag winnen” (8 maart 2023).
Het moge duidelijk zijn: Oekraine moet winnen.
Maar hoe ziet winnen eruit? Wat verstaat het ministerie onder ‘winnen’? Welke doelstellingen moeten worden behaald voordat de minister op een vliegdekschip een persconferentie kan houden onder een grote banner die “Mission Accomplished” schreeuwt? Op deze vraag had het Ministerie van Defensie niet binnen een werkweek een antwoord: “Momenteel is het ontzettend druk bij ons, dus we gaan je gestelde deadline helaas niet halen. We proberen er volgende week bij je op terug te komen.”
Eerlijk is eerlijk, het was een lang lijstje vragen want ik wilde natuurlijk ook weten of met het herstel van Oekraïense soevereiniteit de situatie van vóór 24 februari (de dag van de Russische inval) of later (december 2022), of juist nóg eerder, zeg 2014, voor de bezetting van de Krim werd bedoeld. Toch koop ik niks voor ‘volgende week proberen erop terug te komen’ dus stelde ik voor de vraag te beperken tot een definitie van ‘winnen’. Dat werd schoorvoetend beantwoord met een toezegging te proberen ‘aan je wens tegemoet te komen’.
Politieke vaagheid
Duidelijkheid over het politieke doel dat je nastreeft is best belangrijk. Dus als dat doel ‘winnen’ is, is het handig om te weten hoe winnen eruit ziet. Enerzijds kan vaagheid over strategische doelen zorgen dat diverse interpretaties mogelijk zijn, en zijn politici soms ook gebaat bij een zeker rookgordijn. Je wilt je bijvoorbeeld niet altijd direct in de kaarten laten kijken door de andere partij en hiermee weggeven in hoeverre je bereid bent concessies te doen.
Het wordt alleen problematisch als je ‘de andere partij’ iets te letterlijk neemt en niet duidelijk bent tegenover coalitiegenoten. Dan bestaat het risico dat het zorgvuldig opgetrokken rookgordijn je eigen zicht ontneemt, zoals bleek uit het rapport van de Commissie Davids (2009) over de Nederlandse besluitvorming omtrent Irak. Nederland steunde destijds de Irak-oorlog ‘politiek, maar niet militair’. Probleem: binnen de minsterraad was niet helemaal duidelijk wat er nou onder ‘politieke steun’ verstaan moest worden. Dit zette volgens de commissie ‘de deur open voor allerlei misverstanden’.
Bert Koenders (PvdA), 27 augustus 2009
Het [begrip politieke steun] was voor mij echt nieuw. Wij wisten ook niet wat er precies mee bedoeld werd. Ik heb dat later en misschien ook toen al geïnterpreteerd als: we doen militair niks, maar politiek steunen we het feit dat er een eenzijdige inval van Amerikanen en geallieerden komt.
Maxime Verhagen (CDA), 8 juli 2009
Wij zaten min of meer op dezelfde lijn als ten tijde van Kosovo. Er is voldoende legitimatie, wij vinden het in principe noodzakelijk dat je met militaire middelen naleving van deze resolutie afdwingt.
Jan-Peter Balkenende (CDA), 7 juli 2009
Politieke steun betekent dat je staat achter het doel van de militaire inval.
Een zelfde onzekere afstemming tussen coalitiepartijen zagen we wederom tijdens de niet geheel vlekkeloos verlopen evacuatie uit Afghanistan: zo was minister Bijleveld (CDA) van Defensie bijvoorbeeld ‘compleet verrast’ toen haar ambtsgenoten Sigrid Kaag (D66) van Buitenlandse Zaken aftrad. Alleen premier Mark Rutte (VVD, Algemene Zaken) was op de hoogte gesteld. Kortom: zélfs als het doel glashelder is (inpakken en wegwezen) dan kan alsnog coalitie-ruis over de mate van politieke verantwoordelijkheid over het handelen het handelen zelf in de weg gaan staan.
Wat overigens nog een interessante observatie is uit het rapport Commissie Davids: premier Balkenende hield zich op de achtergrond en nam niet de leiding tijdens debatten over de inzet in Irak. De commissie vond dit kwalijk, omdat de premier als voorzitter van de ministerraad aan het hoofd van het driehoekje staat met de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie. Het ministeriële leervermogen is beperkt, zien we ook nu tijdens de oorlog in Oekraine: Kajsa Ollongren (D66) treedt op de voorgrond, af en toe mag Wopke Hoekstra (CDA) uit een schuilkelder in Oekraine roepen dat we vooral door moeten gaan met ‘accountability initiatives’, maar premier Mark Rutte (VVD) drukt net als zijn voorganger grotendeels de verantwoordelijkheids-snor. De premier beperkte zijn staatsmannelijke bijdrage in Kamerdebat van februari jl. tot enkele “inleidende opmerkingen om het conflict te markeren”, en gaf aan vragen te beantwoorden over het “draagvlak in Nederland, de maatschappelijke gevolgen, de economische gevolgen en Oekraïense vluchtelingen.” De vraag naar een mogelijk einddoel - vredesonderhandelingen - ontweek hij door te stellen dat het aan Oekraine is te bepalen wanneer het daar tijd voor is: “Ik heb daar ook geen opvattingen over.”
Duidelijkheid over rollen en gestelde doelen is van belang. En zelfs als je doelen formuleert, moeten deze wel een beetje concreet zijn. In een andere evaluatie - over de Nederlandse deelname in Afghanistan - werd fijntjes uit de doeken gedaan wat er gebeurt als het kabinet allerlei politieke kerstballen ophangt in een militaire wensdenk-boom. Zo stuurden we troepen wegens bondgenootschappelijke solidariteit, het tegengaan van migratie, voorkomen dat Afghanistan een vrijhaven voor terrorisme zou worden en het consolideren van economische groei, mensenrechten en de rechtsstaat in Afghanistan. De onderzoekscommissie noemde deze gronden “zeer divers en ambitieus”, helemaal “in verhouding tot de relatief kleine missiebijdrage van 100 à 160 mensen.”
Nog belangrijker: ze waren gebaseerd op “aannames over het effect van een missiebijdrage die niet werden onderbouwd door het kabinet en in sommige gevallen twijfelachtig waren. Dit soort gronden voor deelneming maakt het lastig voor het kabinet om verantwoording af te leggen over in hoeverre een missie-inzet daadwerkelijk bijdraagt aan de ambities die het heeft opgegeven aan de Kamer als redenen voor de missiedeelname.” Met andere woorden: wat dacht Nederland concreet in de melk te brokkelen te hebben met 100 tot 160 mensen binnen de context van een NAVO-operatie waar je geen volledige invloed hebt op de precieze taakverdeling, de dynamiek van het conflict en je vijand?
Kortom: het politieke doel moet niet alleen helder en concreet zijn, maar je ambities ook proportioneel tot de middelen die je ter beschikking hebt (en in het geval van Oekraine: weggeeft).
Strategische vaagheid
Interessant is dat het Nederlandse kabinet in relatie tot Oekraine spreekt van ‘winnen’. Dat klinkt op het eerste gezicht daadkrachtiger en duidelijker dan ‘bevordering van de internationale rechtsorde’ en ‘bevorderen van bondgenootschappelijke solidariteit’ maar dit is volgens mij een van die zeldzame gevallen waarin de schijnbare beleidsblah duidelijker is dan de (social) media-kretologie. Want ‘bevorderen van de internationale rechtsorde’ = afspraken nakomen die meestal op papier zijn vastgelegd. ‘Bevorderen bondgenootschappelijke solidariteit’ = wit voetje halen bij de Amerikanen. Wellicht is het beroepsdeformatie, maar dit is mijns inziens duidelijker dan zeggen dat we ‘moeten winnen’.
De term ‘winnen’ is namelijk - als je er goed naar kijkt - een extreme vorm van vaagtaal. Het is in oorlogstijd altijd onderhevig aan interpretatie. De laatste keer dat het overduidelijk was dat ‘we’ hadden gewonnen was toen een zekere Duitse druktemaker zichzelf van kant maakte in een Berlijnse bunker. Daarnaast kan een beeld van ‘winnen’ ook door de tijd heen veranderen. Zo werd Operation Desert Storm in 1990 - Irak uit Koeweit verjagen - gezien als een kort maar krachtig militair succes, maar met de jaren werd het duidelijk dat het vooral een voorportaal was naar een latere invasie van Irak, die leidde tot de radicale nageboorte genaamd ISIS. Of neem bijvoorbeeld de Britse invasie op de Falkland Islands (1982). De invasie was kostbaar in termen van mensenlevens en een overduidelijke Britse overwinning, maar later ontstond in Argentinië het narratief dat de Britse invasie het einde van de militaire junta van dictator-generaal Jorge Videla markeerde, en dus een overwinning van de democratie betekende.
Tegelijkertijd is een militaire overwinning niet hetzelfde als een politieke overwinning: het hebben van militair overwicht kan bijvoorbeeld dienen als hefboom aan de onderhandelingstafel, maar met het drogen van de inkt op een staakt-het-vuren heb je nog geen blijvende of stabiele vrede (zie bijvoorbeeld de jarenlange nasleep in Bosnië na de Dayton Akkoorden in 1995). Kolonel Erik de Landmeter deed in de Militaire Spectator een poging het concept ‘winnen’ uiteen te zetten, en concludeerde onder meer dat “strategie gaat over het winnen van een oorlog, grand strategy kijkt verder dan de oorlog naar de daaropvolgende vrede”. Die vrede zal mogelijk gebruik maken van militaire middelen - om deze te handhaven - maar tegelijkertijd zullen strijdende partijen ook gereguleerd moeten worden om te voorkomen dat geweld weer oplaait.
Vandaar dat de term ‘winnen’ niets zegt, maar tegelijkertijd heeft het wel degelijk een politiek en maatschappelijk effect. Want iedereen wil graag bij het winnende team horen, getuige ook de Oekraine-TwitterTifosi met vlaggetjes achter hun naam. Hiermee verwordt het tot een binair narratief in termen van ‘winnaars’ en ‘verliezers’, ‘goed’ en ‘fout’. Politicologen Vinsion & McDonnell omschreven het oorlogsnarratief als volgt: “Een zwart-wit representatie van de internationale gemeenschap, een globale clash tussen twee antagonisten die beiden een morele identiteit met zich meedragen”.
Laten we de proef op de som nemen en de staccato-speech “Ook jullie oorlog” van defensieminister Ollongren er eens bij pakken:
Eén conclusie die we kunnen trekken:
de snelle verovering die Poetin voor ogen had, is mislukt.
Hij onderschatte de Oekraïners. Hij onderschatte Europa en de NAVO.
Poetin zaaide dood en verderf, maar oogstte eensgezindheid en vastberadenheid.
Eén jaar na de inval zijn géén van zijn militaire of politieke doelen in zicht.De Oekraïense krijgsmacht houdt stand: moedig, trots en vastberaden.
En wij steunen hen.
Het komt nu aan op volhouden, versnellen en vooruitdenken.
Op betrokkenheid, eenheid en draagvlak.Komt Poetin hiermee weg, dan is de wereld zoals we die kennen geen gegeven maar een kaartenhuis.
(…)
Daarom.
Daarom is deze oorlog ook onze oorlog.
Jullie oorlog.Het draagvlak is er.
Op dit moment.
En die eensgezindheid is het machtigste wapen dat we hebben.(…)
Extreemrechts in Nederland, andere Europese landen en het bredere Westen heeft Poetin lang geleden in de armen gesloten.
Wat deze politici bindt, is de verheerlijking van achteruitgang.
Van het terugdraaien van verworven rechten waar hele generaties decennia voor hebben gevochten.
Het appelleren aan gedeelde waarden (die steevast positief en tegelijkertijd onverenigbaar zijn met die van de ‘ander’), een beroep doen op de emoties (‘ook jullie oorlog’) en de verwachting van eenheid uitspreken, is niet zonder gevolgen. Het heeft wel degelijk effect. Zo werd afgelopen donderdag op het Leidseplein door De Balie samen met burgemeester Femke Halsema een Russische tank onthuld die door Oekraïense soldaten kapot is geschoten. Het doel van het debatcentrum was het aanwakkeren van een gesprek over democratie en de kwetsbaarheid ervan. Dat mensen de ‘ook jullie oorlog’-retoriek misschien iets te letterlijk opvatten, bleek wel toen vervolgens tegendemonstranten - waaronder de bekende ‘fakkeldrager’ die bij minister Sigrid Kaag (D66) voor de deur verhaal kwam halen - bloemen gingen leggen bij de tank.
Toch was er - zoals valt te verwachten - niet alleen kritiek vanuit radicaal rechtse hoek. De directeur van het Amsterdams debatcentrum, Yoeri Albrecht, viel fysiek uit tegen een linkse burgerjounalist die een kritische vraag stelde. Het project was immers mede gefinancierd door de NAVO. Daar is op zich niets mis mee, maar dit niet kunnen motiveren wanneer iemand er naar vraagt (en door ‘m zelfs aan te vliegen) wél. Het feit dat Albrecht zijn emoties bij een simpele vraag niet kon bedwingen, laat wat mij betreft vooral zien dat de morele vereenzelviging met een van de twee strijdende partijen het debat dermate hysterisch heeft gemaakt dat er blijkbaar geen normaal gesprek meer mogelijk is. Zelf niet met, ironisch genoeg, de directeur van een debatcentrum die zich laat voorstaan op zijn sterke stance over de vrijheid van meningsuiting.
Hoe de Nederlandse elite-opinie zich gedraagt in crisistijd is een onderwerp waar ik later nog een keer uitgebreid op terug hoop te komen. Voor de liefhebbers is daarover de persvrijheidslezing van journaliste Step Vaessen, die zij vorige week uitsprak, een aanrader. Zij kaartte namelijk in haar lezing de hardnekkige en schadelijke neiging van journalisten aan zich te vereenzelvigen met de macht: in tijden van (corona)crisis of door zich (zoals nu) aan een “wij”- zijde van een conflict te scharen. Terwijl in een oorlog of crisis de ‘waarheid’ de eerste is die sneuvelt, is het juíst dan van groot belang de macht kritisch te blijven bevragen. Zo deed oorlogsfotograaf Eddy van Wessel gisteren in De Beste Krant van Nederland - het Financieele Dagblad - uit de doeken hoe Rusland geen monopolie heeft op oorlogspropaganda:
‘In Oekraïne woedt een informatieoorlog. Er zijn militaire zones waar je maar heel beperkt in komt. Bachmoet ben ik binnengekomen via een bevriende commandant. Als ik iets publiceer wat het regime onwelgevallig is, houden ze hem medeverantwoordelijk. Ze willen de nieuwsstroom controleren.
Militair gezien begrijp ik dat volkomen, maar journalistiek schuurt dat.
Want waar stopt persvrijheid? We moeten het doen met fragmenten van de grotere waarheid. Natuurlijk gebeuren er ook aan Oekraïense kant dingen die het daglicht niet kunnen verdragen.’
Nu ben ik de laatste persoon die iets tegen F16’s heeft - sterker nog: ik heb een langgekoesterde ambitie voor een straaljagerpark in de achtertuin - maar een Volkskrant die boven een commentaar kopt dat ‘Nederland trots mag zijn’ op geleverde F16s aan Oekraine, is wat mij betreft de poldervariant van de New York Times die tijdens de Irak-oorlog het establishment richting de frontlinies hiep-hiep-hoera’de.
Wat mij nog het meest fascineert is dat de gevoeligheid voor deze sterke positionering langs Oekraïense lijnen vooral leeft onder - doorgaans vredelievende - progressieven. De politieke stroming en dito elites die voorheen niet zelden vooraan stonden om de jarenlange afbraak bij Defensie aan te jagen (want oorlog is viesbah), of zich druk maakte over pensioenfondsen die (ieuw!) wapenfabrikanten in hun portefeuille hadden - gedragen zich nu ineens als een stel cheerleaders voor wie de strijd niet hard en stevig genoeg kan zijn. Het feit dat partijen op de radicaal-rechtse flank (zoals FvD) vervolgens aan de andere Kremlin-liefkozende zijde van de boot gaan hangen (ontstaan uit een combinatie van infantiele anti-establishment rebellie en extreemrechtse verheerlijking van ‘sterke leiders’) maakt het geheel niet veel fraaier.
Internationaal erkende (on)haalbaarheid
Terug naar Den Haag. Want terwijl het ministerie bezig was om persvragen over F16’s te beantwoorden - en mijn vragen nog ‘afgestemd’ moeten worden met AZ en BuZa waardoor ze momenteel vertoeven in het limbo genaamd ‘de ambtelijke lijn’ - probeerde ik nog altijd een beter beeld te krijgen van wat Den Haag verstaat onder ‘winnen’. Of op zijn minst of het kabinet ergens spreekt over een einddoel.
In een kamerdebat afgelopen maart zei minister Ollongren dat “het doel is om ervoor te zorgen dat Oekraïne kan blijven voortbestaan als onafhankelijke, soevereine staat. Daar gaat het eigenlijk om. Dat betekent dat wij moeten helpen om ervoor te zorgen dat Rusland de oorlog niet kan winnen, dat Oekraïne de positie op het slagveld die het nu heeft, behoudt en verbetert. Uiteindelijk is dat de route naar de onderhandelingstafel en duurzame vrede.” Tegelijkertijd zei ze dat er “principieel de keuze is gemaakt om Oekraine te steunen en er geen andere keuze is dat te blijven doen.” SP-kamerlid Jasper van Dijk vroeg hier op - terecht - wat de minister zou doen als Oekraine zijn ambities naar boven bijstelt: “Je kan je toch een scenario voorstellen waarbij Oekraïne zegt: we zijn nu aan de winnende hand dus we gaan verder en verder?” Nee, het gaat volgens de minister om “grondgebied terugveroveren zoals dat internationaal erkend is.”
En daar wringt alweer meteen de schoen.
De internationale gemeenschap heeft er belang bij om de territoriale grenzen weer te herstellen volgens internationaal recht. Je wilt immers niet de boodschap afgeven dat agressie loont. Tegelijkertijd zijn er ondertussen diverse fases van territoriale schending: het begon bij de inval op de Krim (2014), ging verder op 24 februari 2022 en schoof nog verder op in december 2022. Zelfs als we teruggaan naar de situatie van vóór 24 februari, handelt Rusland nog steeds in strijd met het internationale recht. Hiermee impliceert minister Ollongren dat ze graag ook de Krim weer terug ziet in Oekraïense handen, maar de vraag is in hoeverre dit haalbaar is, op welke termijn en wat de bijkomende kosten daarvan zullen zijn. De RAND Corporation, een grote denktank, zette deze overigens voor de Verenigde Staten - wat de kosten en baten zijn van verschillende scenario’s - in alle openheid op een rij. In Nederland moesten we het doen met de zuinige constatering van de MIVD dat de oorlog nog wel even zou kunnen duren, maar op basis van welke verwachtingen en wat de gevolgen hiervan voor Nederland zijn werd er natuurlijk niet bij verteld.
Los van het feit dat Nederland gesloten is over zaken waar bondgenoten heel open over zijn, maar weer open is over zaken waar bondgenoten voor waarschuwen (zoals juichend Twitteren over wapenleveranties, wat Ollongren met regelmaat heeft gedaan) is tot daar aan toe. Zorgwekkender is dat het einddoel - herstel van de territoriale grenzen en dus inclusief de Krim - niet verder door parlementariërs wordt bevraagd op de implicaties. Het wordt droogjes tussen neus en lippen door vermeld. En over tot de orde van de dag.
Afghanistan-veteraan Gijs Tuinman - die momenteel werkt aan een dissertatie over de dynamiek van oorlog - wijst erop dat het vaak in de Haagse logica al misgaat: ‘“We hebben de Taliban in stukjes verslagen. Veldslag voor veldslag maar onder aan de streep is er geen sprake van een strategische overwinning in Afghanistan.” Ook hier ziet hij een parallel met Oekraine: “We bieden onszelf in stukjes aan, aan de vijand.” Hij houdt rekening met een scenario waarin Rusland uiteindelijk toch de overhand krijgt en territoriale claims kan afdwingen. “En dan moeten we terugkijken en zeggen: het domste wat we hebben gedaan is de tegenaanval in Kharkiv waarmee al het potentieel eruit is gehaald. De kans is dat de successen die we nu vieren, in de latere optelsom onderaan eindigen.”
De Amerikaanse strategisch analisten Raphael S. Cohen en Gian Gentile uitten onlangs een gelijksoortige waarschuwing in Foreign Policy: “Als Afghanistan is bevochten als een serie van eenjarige oorlogen, dan wordt om Oekraine gevochten per wapen.” Ze wijzen erop dat het afgelopen jaar de Verenigde Staten heeft zitten soebatten over een reeks van individuele wapensystemen (zoals de HIMARS-raketten, de Patriot-systemen, Reaper-drones en langeafstandsraketten) in een poging om verdere escalatie te voorkomen en de oorlog kort en beperkt te houden. In de praktijk gaat deze hapsnap-benadering ten koste van de strategische doelen. Er wordt niet nagedacht over wat Oekraine nodig heeft om te winnen en het langs die lijnen ook te bewapenen - door bijvoorbeeld in het geheim klaar te stomen voor een offensief op de Krim zodat ze iets aan de onderhandelingstafel hebben - maar om vandaag te ouwetakkebossen over de wapens die Oekraine gisteren nodig had.
De strategische kosten zijn overigens - zo stellen Cohen en Gentile - ook aan Amerikaanse, en in het verlengde daarvan NAVO (en Nederlandse) zijde: “Of het nou de Taliban van gisteren is, Rusland vandaag of mogelijk China van morgen: ze rekenen op het strategische ongeduld van Washington. Het enige wat ze nodig hebben is een lange adem, want Amerika schiet zich vanzelf in de voet met hun korte termijn-blik op oorlog. Als het inderdaad het einddoel is om te winnen, is het enige wat erger is dan het vechten van een lange oorlog - de illusie hebben dat het mogelijk is deze te voorkomen.”
🔥Nabrander 🔥 nu weten we natuurlijk NOG STEEDS NIET hoe winnen er volgens Plein 4 uitziet, maar zodra het ministerie van Defensie antwoord op (alle) vragen heeft gegeven gaan we er even met de stofkam doorheen.
Een eenmalige waardering middels een F16 kleine bijdrage kan ook:







