Martijn Kitzen: 'We moeten voorkomen zelf onze grootste vijand te worden'
Interview over de 'Terugkeer van Oorlog'
Vorige week verscheen het nieuwste boek van Martijn Kitzen, hoogleraar irreguliere oorlogsvoering en speciale operaties aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en bijzonder hoogleraar krijgswetenschap aan de Universiteit Leiden, getiteld De Terugkeer van Oorlog: Pleidooi voor de Verdediging van Vrede. Een gesprek over navigeren door een publiek debat overmand door emoties gewapend met McGuyver ducktape en rubberen tussenlagen.
In ‘De Terugkeer van Oorlog’ neemt Martijn Kitzen de lezer mee aan de hand door het strategische landschap sinds de Val van de Muur. Er kon bezuinigd worden op de krijgsmacht, de schuilkelders werden dichtgemetseld en de dienstplicht ging in de ijskast. Europese politieke elites leefden in de valse veronderstelling dat het continent oorlog wel een beetje ontgroeid was, en hooguit vooral andere landen ervan moest doordringen dat - als ze zich nou een beetje meer gingen gedragen zoals ons - gewapend conflict nooit de oplossing kan zijn.
Andere landen en extremistische groeperingen deden hier ons voordeel mee, constateert Kitzen, en hoewel mensen vaak serieus waarschuwen dat de dreiging steeds dichterbij komt is het nog maar de vraag of die eigenlijk ooit is weg geweest?
We zien sinds 1945 een drastische afname van interstatelijke oorlogen. De afname oorlogsdoden zijn per hoofd van de bevolking flink gedaald, er is een langdurige afwezigheid van serieus gewapend conflict tussen Europese landen. Is daarmee de competitie onder staten of andere politieke actoren - of dat nou een IS of Hamas is - verdwenen?
MK: Zeker niet, de uitingsvormen zijn anders en we noemen dat tegenwoordig ‘hybride oorlogsvoering’: tegenstanders combineren niet-militaire middelen met heimelijke acties die erop gedoeld zijn om de ander te ontwrichten, maar nooit openlijk genoeg zijn om te zien als directe oorlogsverklaring. Dat is ook een competitie op internationaal niveau, alleen zien we die op een hele andere manier verschijnen.
Neem bijvoorbeeld de militaire competitie met Rusland, dit wordt vaak neergezet als een ‘nieuwe Koude Oorlog’ maar die vergelijking gaat mank. Alles is met elkaar verbonden, er is geen sprake meer van een afgebakende set landen met een vast setje militaire middelen. In Spanje en Portugal had je vorig jaar de black-out en zaten mensen een dag zonder stroom, en los van wat de oorzaak is geweest, zag je hoe relatief makkelijk het is om een deel van de samenleving te ontwrichten.
Speelt de ontvankelijkheid van een doelwit daarbij niet ook een rol? In Portugal verlopen veel zaken nog analoog: betalingen in cash, fysieke formulieren en stempels. Apotheken verstrekten tijdens de black-out op goed vertrouwen medicijnen aan ouderen, noteerden handmatig welke middelen bij wijze van spreken dokter Silva had voorgeschreven aan mevrouw Do Carmo en hoeveel zij als herhalingsrecept had meegekregen.
MK: Ik vraag mij af of Nederland, zeker in het meer verstedelijkte deel, dit nog wel kan. Dat je ter plekke samen dingen gaat bedenken en uitvoert. Maatschappelijke weerbaarheid gaat volgens mij vooral om hoe je op lokaal niveau er samen uit gaat komen. Er is veel meer nodig dan een noodpakket in je gootsteen. Het netwerk is belangrijk: weet je elkaar in geval van nood te vinden?
Als de Houthis sterker worden, zijn de Jemenieten of de Palestijnen dan zoveel beter af?
We weten elkaar in het publieke debat al amper te vinden. Als het gaat over Defensie of militaire inzet dan zie ik als journalist dat bijna achteloos hele zware termen worden gebruikt, en vrijwel altijd termen met een emotionele en vooral ook morele lading.
MK: Als wetenschapper zie ik dat aan de universiteiten ook. Bij sommige activisten leven er hele boude veronderstellingen over wat Defensie is en doet, zonder dat daar een reëel beeld van Defensie of militairen bij zit. Ik word als hoogleraar aan de NLDA weliswaar betaald door Defensie maar dat maakt mij nog geen kritiekloze cheerleader. Sterker nog, er wordt verwacht dat ik kritisch onderzoek verricht.
Waar het mij om gaat, en dat mis ik heel erg, is dat mensen een reel beeld hebben van oorlog en oorlogvoering. Klein voorbeeld, ik moest college geven op de Haagse Campus van de Universiteit Leiden en toevallig was daar in de buurt een demonstratie gaande voor de Houthis in Jemen. Yemen, Yemen make us proud, let another ship turn around! Daar heb ik toen met studenten een uitegbreid gesprek over gehad, want ik snap dat je begaan bent met het lot van de Palestijnen en daar begrip voor hebt. Tegelijkertijd kun je niet de ogen sluiten voor het feit dat de Houthis een groot aandeel hebben in het lijden en de dood van honderdduizenden burgers onder meer door mensen uit te hongeren. Je juicht dus voor een beweging die dit op zijn geweten heeft, maar veroordeelt de staat Israël op basis van een vrijwel identieke beschuldiging. Nog even helemaal los van wat je van de politieke agenda van de Houthis of Israel vindt, het gaat hier om de vergelijking die totaal scheef is. Want als de Houthis sterker worden, zijn de Jemenieten of de Palestijnen dan zoveel beter af? Mensen lijken steeds meer moeite te hebben om die slag dieper te maken.
Alles wat met het leger te maken heeft is fascistisch, maar tegelijkertijd wel allemaal boos dat het leger er in de jaren ’40 niet was om burgers tegen het fascisme te beschermen
Heeft dit ook niet te maken met de overtuiging binnen de Nederlandse intelligentsia dat geweld intrinsiek moreel verkeerd is? Wapens zijn primair instrument van geweld, dus degenen die wapens gebruiken of beheren (en daarin fysiek een bovenliggende partij zijn) staan daarmee altijd onder morele verdenking. Er wordt geen onderscheid dan meer gemaakt tussen verschillende contexten van geweld.
MK: Zodra het Defensie betreft is die polarisatie inderdaad groter in Nederland. Het doet mij denken aan dat boek van Herman Vuijsje, Wij waren geen soldaat. Daarin legt hij uit hoe een deel van de boomers heel trots was op het feit dat ze de dienstplicht wisten te ontduiken. Alles wat met het leger te maken heeft is fascistisch, maar tegelijkertijd waren ze wel allemaal boos dat het leger er in de jaren ’40 niet was om burgers tegen het fascisme te beschermen. Die tegenstrijdigheid zit heel diep – Vuijsje vindt met terugwerkende kracht ook dat het niet juist was om de dienstplicht te ontlopen.
Aanvankelijk was ik er niet zo een voorstander van, maar ik heb op verzoek van mijn uitgever ook mijn eigen ontwikkeling in het boek beschreven. Ooit ben ik in dienst gegaan bij Defensie omdat ik wilde bijdragen aan vredesmissies, maar toch zie je vaak dat Defensie heel nauw wordt benaderd als militarisme. Samenwerkingen vanuit Defensie met universiteiten wordt dan al direct de ‘militarisering van onderwijs’ genoemd.

Of laatst zat ik in een TV programma en hadden we een gesprek over de Pokemon Go app: die dataset is nu verkocht aan een ontwikkelaar van militaire drones. Data is handel en wordt dus door iedereen verhandeld, maar als het dan gebeurt voor een militaire toepassing dan zijn mensen ineens extreem verontwaardigd. En dat terwijl we bijna continu data weggeven zonder stil te staan bij de gevolgen. Zo hoorde ik tijdens die uitzending dat er ook een app bestaat die de menstruele cyclus van vrouwen bijhoudt en die data gewoon doorverkoopt aan onbekende partijen. Daar is wel aandacht voor geweest, maar het heeft verbazingwekkend genoeg niet meteen tot massale ophef geleid. Zodra ergens een militaire mogelijkheid in wordt gezien, van samenwerking met universiteiten tot aan data, dan is het ineens allemaal schandalig. Die negatieve basisemotie overmant de ratio op zo een moment.
Dat zie je overigens net zo goed in politieke besluitvorming. In Mali sprak ik na de laatste coup met verschillende leiders uit het maatschappelijke middenveld. Dan komen wij ze als Westerse landen vertellen dat ze een democratie moeten worden. Terwijl zij juist aangeven ‘laat die junta maar even zitten, eerst is het van belang dat de stabiliteit terugkeert’. Nee dat kan dan niet, want het liefst willen wij dat er volgend jaar weer een democratie moet zitten en vervolgens zijn we verbaasd dat Mali zich vervolgens richting Rusland beweegt. Laatst kreeg ik nog zo een vraag: hoe kunnen we van onze WK-spelers vragen dat ze kritisch zijn, zolang Mark Rutte vriendjes blijft met Trump? Dat valt onder dezelfde categorie. Je moet namelijk wel handelen vanuit een set normen en waarden, idealisme zo je wilt, maar het moet wel realistisch zijn binnen de wereld waarin we leven. Noem het pragmatisch realisme, maar ik denk wel dat dat de beste koers is.
Investeren in Europese samenwerking omdat Donald Trump toevallig president is van de Verenigde Staten, is volgens mij precies een symptoom van wat er mis is.
Hoe navigeer je daarbinnen? We hadden het net over valse vergelijkingen en moralisme over wat je zegt, tegelijkertijd merk ik als journalist dat je ook aangesproken wordt voor wat je niet zegt. Voorbeeldje: als je alleen al de naam Donald Trump noemt, wordt er verwacht dat je een hele bijsluiter meelevert over wat voor een verschrikkelijke vent het is (want zwijgen is blijkbaar toestemming).
MK: Herkenbaar. Neem de actie in Venezuela. Ik zei toen op TV dat het als speciale operaties een goed uitgevoerde militaire operatie is die de lesboekjes in zal gaan. Dan ben je meteen een Trump-apologeet. Het kan niet verder van de waarheid afstaan, maar ik moet dingen wel analyseren zoals ze zijn en niet zoals ik ze vind.
Er is een hele sterke behoefte om van alles meteen maar een moreel statement te maken maar het levert onder de streep niets op. Dat zag je ook toen er voor heet eerst gesproken werd van een Europese militaire coalitie om de straat van Hormuz te beveiligen, zodat de omringende landen wat meer stabiliteit krijgen, er weer eten naar Afrika kan en olie naar Europa en Azië. Dan is het vooral ’niet onze oorlog’ en hebben we daar niks te zoeken. Dat is wel een persoonlijke irritatie: dat mensen van alles iets vinden op hoge toon, maar geen actie willen ondernemen op het moment dat er iets aan gedaan kan worden.
Hoe irritant wapperende vingertjes ook kunnen zijn: moraal en wereldbeeld hebben wel strategisch invloed. Zo hebben we in het verleden te maken gehad met tegenstanders die de dood vieren, je gaat naar het Paradijs met 40 maagden dus what’s not to like? Los van of dat een fijn wereldbeeld is of niet, het zorgt er wel voor dat afwegingen in termen van strategische winst en verlies radicaal onvergelijkbaar zijn met die van Westerse democratieën.
MK: Huntington’s Clash of Civilizations ga ik niet ophemelen maar je kunt het verschil in waardepatronen niet negeren. Als het gaat om burgeroorlogen en irreguliere oorlogsvoering is het van groot belang om zicht te krijgen op het normatieve framework waarbinnen je tegenstander zich beweegt. Als je niet in staat bent om daar binnen te dringen, dan zit je buiten de besluitvormingscyclus van de tegenstander en dan kun je die ook niet beïnvloeden.
Strategische empathie als term werkt vaak als een rode lap op een stier, want mensen denken meteen dat het gaat om sympathie hebben voor de tegenstander. Nee, je moet weten hoe hij denkt. Hoe denken de Ayatollahs in Iran? Hoe denkt Vladimir Putin? Op basis daarvan kun je gaan nadenken over hoe te handelen en eventueel te beïnvloeden. Afschrikking heeft niet alleen te maken met hoe jij je opstelt, maar vooral ook met hoe de tegenstander jou percipieert. Hoe vertalen zij jouw acties? Je moet niet alleen maar vanuit jezelf redeneren en precies daar hebben we moeite mee. We zijn gewend om in een korte tijdsspanne te werken. Als we vandaag iets zien, moet het morgen opgelost zijn.
Zoals de wederopbouw van de krijgsmacht?
MK: Je ziet dat Westerse krijgsmachten heel erg zijn ingericht op financiële efficiency, en minder op effectiviteit. Eerlijk gezegd maak ik mij niet druk om de middelen. De discussies over hoeveel tanks we nodig hebben en of de F-35 niet teveel op Amerika is gericht zijn relatief onbelangrijk. Die middelen zijn namelijk niet ons probleem, die kunnen we kopen – ook al duurt het even voordat ze er zullen zijn. De vraag is, zoals altijd, hoe willen we die middelen inzetten? Hoe kunnen we Nederland het beste verdedigen en, als belangrijkste, welke mentaliteit hoort daarbij? Investeren in Europese samenwerking omdat Donald Trump toevallig president is van de Verenigde Staten is volgens mij precies een symptoom van wat er mis is. Dat besef van dat een krijgsmacht echt nodig is en waarom precies, dat ontbreekt.
Je moet niet alleen maar vanuit jezelf redeneren en precies daar hebben we moeite mee.
In je boek besteedt je veel aandacht aan de Westerse illusie dat een technologisch superieure krijgsmacht ook per definitie betekent dat we de bovenliggende partij zullen zijn. Een kenmerk van de underdog is dat deze juist door schaarste afhankelijk is van creativiteit. Toch lijkt de Westerse creativiteit rondom schaarste soms een kwestie van alles met McGuyver ducktape bij elkaar houden in afwachting van betere tijden.
MK: Het kunnen opereren in schaarste en het vermogen om daar creatief mee om te gaan is wat het onderscheid gaat maken in een oorlog. We hebben daar echt wel momenten van gekend in Nederland. Bijvoorbeeld tijdens de inzet in Afghanistan kwamen we erachter dat de voertuigen niet voldoende beschermden tegen bermbommen, toen zijn heel snel Bushmasters ingekocht. Dus het kán wel. Maar je ziet ook nu weer dat er een heleboel tegelijkertijd gebeurt op het gebied van oorlogsvoering.
Het is echt niet zodat we kunnen voorspellen hoe die oorlog er precies uit gaat zien als die komt. Wat we wel kunnen voorspellen is dat de doorslaggevende factor gaat zijn hoe snel je kunt schakelen. Je moet een innovatieketen hebben. Dan zie je dat Westerse democratieën het meteen heel bureaucratisch gaan inrichten met procedures, want als we het in een proces gieten dan komt het wel goed. Tegelijkertijd zie je landen zoals Oekraïne en Israël veel flexibeler werken: die hebben simpelweg die luxe niet.
Flexibel werken betekent ook accepteren dat niet altijd alles meteen lukt. Op acht dingen die falen heb je misschien twee innovaties die succesvol zijn. Daar hebben we in Nederland heel veel moeite mee. En dat terwijl de ontwikkelingen op dit moment vragen om een innnovatieketen waarbij de soldaat die in de frontlinie dingen uitprobeert net zo belangrijk is als de wetenschapper die in zijn laboratorium experimenteert. Je ziet overigens nu wel bij speciale eenheden dat die zich succesvol aanpassen en bezig zijn om op tactisch niveau mensen met technologisch kennis aan teams toe te voegen. Die kan snel een drone tweaken of een 3D printer net even anders afstellen zodat het wél kan. We hangen nog iets teveel in de gedachte dat de industrie het kant en klaar moet aanleveren.
Westerse landen hebben kaders voor oorlogs- en vredestijd. We kunnen moeilijk omgaan met het grijze gebied daartussen.
Je wijst terecht op de operationele kennis: die is er voldoende maar wat mij opvalt bij uitvoerende organisaties - of dat nou Defensie, Politie of Brandweer is - dat het in de praktijk heel moeilijk blijkt om die kennis naar boven te krijgen bij degenen die er vervolgens wel over moeten beslissen. Er blijft van alles plakken in die rubberen tussenlaag.
MK: Eigenlijk zie ik dat in diverse landen en bij verschillende organisaties zowel bottom-up als top-down gebeuren. In het veiligheidsdomein weten mensen in alle lagen drommels goed dat de situatie vereist dat ze hun zaken op orde hebben. Wat ik observeer is dat regelgeving hier een grote rol speelt: in Westerse landen hebben we kaders voor oorlogs- en vredestijd. We kunnen moeilijk omgaan met het grijze gebied daartussen. En dat is precies waar we nu mee te maken hebben. Aan de ene kant moeten we ons nu al voorbereiden op oorlog – om potentiële tegenstanders af te schrikken – en aan de andere kant hebben we nu al dagelijks te maken met de gevolgen van hybride acties. Het is lastig als je daarbij te maken hebt met wet- en regelgeving die daar geen rekening mee houdt. Je moet je dus ook afvragen of de procedures die we hebben gecreëerd nog wel werkbaar zijn? Je moet iets zoeken wat bij de nieuwe situatie past, en niet de situatie van nu toetsen aan de regels die voor de oude zijn geschreven.
Overigens moeten we voorkomen dat we zelf onze grootste vijand te worden. Als we kijken naar de opvatting van oorlogsvoering, is de Chinese heel breed. De Russen opereren meer binnen dat grijze gebied tussen vrede en oorlog. Het is belangrijk dat wij ons niet laten verleiden om daar in mee te gaan en alles als oorlog en oorlogsverklaring te zien, maar tegelijkertijd moeten we ook eerlijk zijn over wat oorlog dan wel is en wanneer we daarin zitten. Dat vond ik mooi aan het rapport van de Commissie Sorgdrager over Hawija. Het woord ‘oorlog’ werd nergens genoemd in de communicatie met het parlement, want dat zou misschien wel eens te gevoelig liggen. Benoem dingen nou gewoon voor wat ze zijn.
En wanneer is het dan oorlog?
MK: Het feit dat dit niet meer zo duidelijk is, is precies de verandering. In onze ogen is het namelijk heel binair. Het is oorlog of het is geen oorlog. Waar die grens ligt en zou moeten liggen, die discussie ontbreekt. Als iemand een keer de stormvloedkering hackt en heel Rotterdam overstroomt: zijn we dan in oorlog? Dat je die vraag beantwoord met een ‘ja’ kan ik mij net zo goed voorstellen als dat je die beantwoord met een ‘nee’. De angst voor die discussie is overigens niet alleen politiek maar zit ook in de samenleving. Dat is een van de redenen dat ik dit boek heb geschreven: om mensen te informeren want het zou ook aan keukentafels besproken moeten worden.
Je verwijst in je boek naar Anne Applebaum die in haar boek Twilight of Democracy waarschuwt dat mensen ‘niet alleen eigen meningen maar ook eigen feiten’ hebben. Dat betekent ook het hanteren van opportunistische definities: wanneer spreekt je van oorlog of wanneer ‘mag’ iets wel of niet.
MK: Klopt, als het gaat om militaire inzet worden regels in het publieke debat vaak heel nauw uitgelegd terwijl er ook ruimte is voor een bredere interpretatie. Dan krijgt je van die discussies zoals in Nederland bijvoorbeeld over aanvallen op ziekenhuizen. Dan wordt mij gevraagd waarom het zoveelste ziekenhuis wordt aangevallen? Ja, dat is een goede vraag maar die vraag wordt vaak vrijwel direct voorzien van een heel stellige ‘want dat mag niet van het internationaal recht’. Dan wordt het voor mij al heel moeilijk om een gedegen antwoord te geven. Als dat ziekenhuis wordt gebruikt voor militaire doeleinden dan mag het wel degelijk worden aangevallen, maar tegelijkertijd moet je die mogelijkheid niet lichtzinnig nemen. Dáár moet die discussie dan over gaan. In de strijd tegen IS in Mosul bleek dat die organisatie gebruik maakte van ziekenhuizen als commandoposten. Pas na weken van zorgvuldig wikken en wegen werd besloten zulke locaties uit te schakelen, want dat is echt wel een forse maatregel. Natuurlijk is het zo dat we die prudentie niet hebben teruggezien bij de acties van Israel in Gaza. Volgens mij moet het daarover gaan en niet zwart-wit ‘het recht zegt dat je geen ziekenhuizen mag aanvallen’ en dus is het fout. Ook omdat wij in onze comfortabele positie niet alle feiten kennen en niet zeker kunnen weten waarom de strijdende partijen tot bepaalde acties overgaan. Dit is maar een voorbeeld maar het is voor mij tekenend dat we geen gezamenlijke plattegrond hebben van de situatie waar we nu inzitten.
Snellere procedures, meer mogelijkheden. De Algemene Rekenkamer waarschuwde onlangs nog dat dit problemen kan opleveren. Het zal niet de eerste keer zijn dat belastingeuro’s verdampen dankzij onoplettendheid. Het is overduidelijk dat er bij Defensie iets te halen valt: je ziet ondernemers maar ook talking heads zichzelf profileren in de media, consultants staan uiteraard klaar om te adviseren over de besteding van overheidsgeld aan zichzelf. Ook andere ministeries cirkelen boven de pot geld, want Defensie mocht vorige week betalen voor de nieuwe sirenes omdat het Ministerie van Justitie en Veiligheid even krap bij kas zit. Het is wel dit type ‘aandacht voor Defensie’ waar je mee moet concurreren.
MK: Zeker, zelf merk ik t net zo goed dat er opeens veel aandacht is voor het onderwerp. Vorig jaar heb ik met Tim (Sweijs -red) een boek geschreven over de Oorlog van Morgen en dit jaar dan een eigen boek. Tien jaar geleden was er bijvooorbeeld wel belangstelling voor een boek over Afghanistan, geen enkele grote uitgever was echter geïnteresseerd in oorlogvoering in het algemeen. Ook bedrijven die iets kunnen verdienen aan die hernieuwde belangstelling voor Defensie hebben die omslag al gemaakt.
Het gaat juist om de Nederlandse bevolking die ook de gevolgen van oorlog steeds meer zal gaan voelen, nu toevallig aan de pomp door de hoge benzineprijzen. Als militair en wetenschapper heb ik genoeg van de wereld mogen zien om te kunnen beseffen dat het hier in Nederland echt niet zo slecht geregeld is allemaal. De verworvenheden en vrijheden zijn geen vrijblijvend recht zonder enige verplichting. Wat ik heb proberen neer te zetten is een betoog waarom we nu ook op het punt zitten dat burgers ook zelf bereid moeten zijn om bij te dragen aan het behoud ervan. Dat kan op allerlei manieren, maar het belangrijkste vind ik dat we weer leren samen op te trekken om een einde te maken aan de polarisatie die ons verdeelt.
‘De Terugkeer van Oorlog: een pleidooi voor de verdediging van vrede’ verscheen vorige week bij Uitgeverije Cossee en is hier online te bestellen.
Over de ‘Oorlog van Morgen’, naar aanleiding van het boek dat hij samen schreef met Tim Sweijs, sprak Martijn Kitzen vorig jaar uitgebreid in de Podcast Scherpschutters #luistertip
Steun mijn werk en lees het betere duidingswerk van professionals die zélf nadenken (hier GEEN Wikipedia-gewauwel van Mediapark-charlatans die vlak voordat de studiolampen aanspringen nog even snel aan Chat of hun mede-talkshowtafelgasten moeten vragen hoe het ook alweer zit) dus schrijf je in, deel het artikel of overweeg een lidmaatschap!
Uiteraard is een losse bijdrage ook mogelijk!



