
Bestuurlijk Den Haag heeft regelmatig last van politieke FOMO. Eens in de zoveel tijd is daar ineens een onderwerp waar Nederland ab-so-luut iets mee moet, en ontstaat er politieke druk om te kunnen laten zien dat we de boot niet missen.
Wie herinnert zich bijvoorbeeld nog het Topsectorenbeleid uit 2011-2013? Nederland moest voorloper worden in negen sectoren. Enkele jaren later kwam Den Haag tot de conclusie dat we niet moesten subsidiëren maar gebruik moesten maken van fondsen. Dat werden er vervolgens zoveel dat de Algemene Rekenkamer in 2019 concludeerde dat er 3,6 miljard euro in deze zogeheten ‘revolverende’ fondsen zat, maar dat eigenlijk geen enkele minister verantwoordelijk was voor het totaaloverzicht, er geen specifieke regelgeving bestond en de Kamer amper zicht had op resultaten. Iedereen was zo druk met het instrument zelf – de fondsen uitgeven – dat ze vergaten om doelmatigheid en effectiviteit ervan te meten.
Anno 2026 is het mantra dat we ‘iets’ moeten met innovatie’ en ‘iets’ met disruptieve technologie (het Haagse jeukwoord du jour). Graag ook ‘iets’ met startups. En ‘iets’ met opschaling.
Zo heeft het kabinet ondertussen 500 miljoen euro voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) gereserveerd. Het idee is afgekeken van het Amerikaanse DARPA: een programmaleider kiest een technologisch probleem en laat vervolgens meerdere bedrijven en onderzoeksteam parallel aan oplossingen werken. Zowel publieke als private partijen kunnen meewerken. Dan is er nog de eigen ‘Defensie Innovatie- en Opschalingsautoriteit’ (eveneens naar het DARPA-model) die gezamenlijke onderzoeksprojecten gaat meefinancieren.
En dan is er nog Defport, een initiatief van zowel Defensie als Economische Zaken. Daarbij is het de bedoeling dat bedrijven vroeg worden betrokken bij de vraagformulering van Defensie, waarna deze bedrijven en kennisinstellingen zich kunnen organiseren. Nog voordat iemand ook maar de kans heeft gehad om te kijken welk probleem niet door bestaande organisaties kan worden opgelost, staan er alweer nieuwe gesubsidieerde clubs in de steigers.
De vorige bewindspersonen zagen deze bui ook al hangen, en wezen er vorig jaar in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) op dat ’elke euro maar een keer kan worden uitgegeven’ en ‘we zoeken naar multipliers vanuit verschillende overheidsbronnen’. Afgelopen juli schreef Economische Zaken dat er nog ‘kritieke ontwerpkeuzes’ moeten worden gemaakt voor NADI en diens samenwerking met DIOA. Een bureaucratische cirkelredenering: Defport moet partijen verbinden. DOIA moet innovatie versnellen. NADI moet innovatie versnellen. Vervolgens moeten NADI en DOIA weer met elkaar worden verbonden, alleen weten we nog niet hoe (idee: misschien een nieuwe organisatie ertussen plaatsen?)
Oftewel: de institutionele architectuur wordt al gebouwd en ronkend gepresenteerd, terwijl de architecten nog niet eens weten welke kamer precies waarvoor dient. In plaats van te kijken naar welke bestaande regels mogelijk versoepeld kunnen worden, of welke taakstellingen of verantwoordelijkheden ervoor zorgen dat er problemen ontstaan, wordt er direct een nieuwe organisatie bedacht die dan weer tussen, naast, boven, onder of dwars door reeds bestaande organisaties moet gaan zitten. Nog los van reeds bestaande functionele dubbelgangers zoals ODIN, SecFund, Technology Transfer en Speed Capital defensietenders van RVO, NAVO DIANA, het NAVO Innovatiefonds, etc.
Nut en noodzaak van innovatie kan iedereen begrijpen. Maar volstrekt onbegrijpelijk is waarom het antwoord steevast wordt gezocht in meer van hetzelfde.
Dit artikel verscheen eerder deze week als column voor Atlantisch Perspectief


