De Republikeinen hebben de midterms verloren. Vice-president J.D. Vance wist niet hoe snel hij afstand moest nemen van de Amerikaanse interventie in Iran: ‘The reason we lost is the war’. Hoe oorlogen een kwestie van electorale overleving (kunnen) worden.
Het was afgelopen week een feest van herkenning. Bijna tien jaar geleden promoveerde ik aan de Vrije Universiteit op een proefschrift over hoe democratieën risico’s inschatten tijdens militaire interventies. Hoe gaan ze om met winst en verlies, hoe wegen ze die?
Als politicus ben je niet alleen bezig met het ‘winnen’ van een oorlog (ze weten vaak niet eens hoe dat eruit ziet), maar kijk je met een schuin oog naar peilingen en verkiezingsuitslagen. ‘Verliezen’ zijn niet in een enkele variabel te vatten: je kunt verliezen in termen van militaire levens, burgerslachtoffers, materieel (zoals een Nederlandse Lynx-helikopter op een Libisch strand kwijtraken) maar ook in het stemhokje. Daarnaast zijn verkiezingen zelden tot nooit een referendum over militaire interventies, maar gaan veel vaker over (voor het dagelijks leven: veel belangrijkere) zaken zoals werkloosheid en inflatie.
Welke afwegingen maken politici en wanneer weegt welk type verlies (of winst) zwaarder? En als politici verliezen, gaan ze dan (net als tijdens de Vietnam-oorlog) alleen maar verder escaleren omdat de politieke kosten van toegeven dat je een fout hebt gemaakt hoger wordt ingeschat? Of nemen ze, zoals J.D. Vance deed, afstand van eerdere beleidskeuzes?
De titel van mijn proefschrift (‘gambling with lives for political survival’) vat de ietwat cynische hoofdbevinding aardig samen: politici overleven het liefst een verkiezing. Het deuntje wat ze zingen hangt niet alleen af van de omstandigheden, maar ook van het moment.
Tot 3 november: zichtbare kosten van oorlog
Hoe meet je verlies in een oorlog? Het meest tastbare is het aantal gesneuvelde militairen en aantallen burgerslachtoffers. Zelf vergeleek ik alle militaire interventies Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, Noorwegen, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten en Zweden in de periode 1990-2014. Ik verzamelde niet alleen de interventies zelf, maar codeerde ook hoe landen intervenieerden (alleen of via een samenwerking binnen de NAVO of VN), hoelang, hoe vaak ze de missie verlengde en wanneer, hoeveel slachtoffers er tussen de periodes van besluit vielen, hoeveel maanden deze aflagen van een verkiezing, hoe landelijke partijen er in die periode gemiddeld voorstonden in de peilingen en hoe de economische vlag erbij hing. Op deze manier kon in bekijken onder welke omstandigheden regeringen tijdens een missie escaleren (door meer troepen te sturen of juist vol te houden dat ze lekker bezig zijn) of de-esclaren (door zich terug te trekken, een missie niet verlengen en voorzichtig afstand te nemen van het onderwerp).
Wat bleek? Regeringen worden in woord terughoudender als de politiek kosten van een militaire interventie oplopen. Vooral militaire verliezen spelen daarbij een rol: regeringspartijen worden bij oplopende aantallen gesneuvelden wat stiller (en vaak ook minder positief) over militaire onderwerpen in het algemeen, terwijl oppositiepartijen juist positiever worden over defensie. Dit patroon is het sterkste bij rechtse partijen. Oftewel, als het even niet meezit gaan die meteen in de Don’t mention the war-stand
Tegelijkertijd worden regeringen in daad assertiever als de militaire verliezen oplopen: met name regeringen die er goed voor staan in de peilingen hebben de neiging om dan juist meer troepen te sturen en hun ‘investering’ te vergroten. Politiek kwetsbare regeringen (dus die er niet zo lekker voor staan in de peilingen) escaleren juist niet.
Als regeringspartijen vervolgens daadwerkelijk de verkiezingen verliezen, worden ze de keer erop (in hun verkiezingsprogramma) minder positief over militaire onderwerpen. Logisch, want je stoot jezelf niet twee keer aan dezelfde steen. Als je jezelf eerst heel erg hebt zitten committeren aan een onderwerp, en je behaalt juist daar slechte resultaten is het politiek gezien slim om in de bosjes te verdwijnen:
In mijn eigen onderzoek keek ik naar militaire slachtoffers, maar de interventie in Iran is een goed voorbeeld dat een politicus ook op andere manieren (op negatieve wijze) wordt geconfronteerd met de gevolgen van beleid. Zoals mopperende kiezers aan de benzinepomp.
De politieke kosten van de interventie in Iran waren vooral zichtbaar door de tientallen miljarden uitgaven aan het militaire apparaat, schade aan Amerikaans materieel maar bovendien stijgende prijzen. Zodra de kosten van een interventie zichtbaar worden voor de kiezer, worden ze politiek relevant en ontstaat er een prikkel om je positie aan te passen. De Republikeinen zijn niet alleen ideologisch verbonden aan de president die de oorlog voerde, maar droegen destijds ook in het Congres als meerderheidspartij politieke verantwoordelijkheid.
Er waren wel signalen van onrust in de Republikeinse partij: begin oktober berichte AP dat Republikeinse campagnemedewerkers zich zorgen maakten over de electorale gevolgen van de hoge prijzen en de Iran-oorlog. Hier moeten politici twee soorten kosten afwegen: de koers handhaven en afgestraft worden, of de kosten dragen van alvast erkennen dat een oorlog die je zelf bent begonnen niet goed uitpakt. Dit laatste vormt zo vlak voor de verkiezingen doorgaans geen goed campagnemateriaal. Tenzij het mogelijk is die afstand ideologisch te creëren: dit is makkelijker voor partijen die in coalities moeten werken.
Waar de Republikeinen er all in zaten, creëert het regeren met meerdere partijen strategische opties. Neem bijvoorbeeld de PvdA bent in een coalitie: Wouter Bos nam in 2009 voor de gemeenteraadsverkiezingen al afstand van de missie in Uruzgan en sprak zich uit tegen verlenging van de missie. Het werd zelfs een punt tijdens campagne bijeenkomsten. De PvdA liet het conflict uiteindelijk escaleren tot de val van het kabinet.
Een ideologische ruimte die de Republikeinen in het tweepartijenstelsel veel minder hebben, en dus de keuze tussen ‘de billen nu hard branden’ of ‘de kans op de billen keihard branden óf ermee wegkomen’ veel steviger maakt.

Politieke analyses, Chris Die Erbij Is, de Haagse Grabbelton van Bas Paternotte, het laatste Portugese Straathondennieuws en zelfs de X!-Factor podcast. De meeste artikelen op DieuwsNieuws zijn gratis te lezen, maar met uw abonnement kunnen we dit MEDIABEDRIJF een beetje uitbouwen (en tevens voorzien Bob van brokken)!
Inschrijven kost niks, betaald opwaarderen wordt kwispelend ontvangen:
Na 3 November: de kosten zijn niet langer hypothetisch
In mijn onderzoek keek ik ook naar de verandering van zetelaandeel: heb je een meerderheid of niet in het parlement, en heb je verloren over gewonnen ten opzichte van de vorige verkiezingen. Partijen die zetels verloren, werden minder positief over militaire interventies in het algemeen.
Voor 3 november was het risico dat de Iran interventie stemmen zou kosten hypothetisch. Na 3 november: not so much. Als een politicus denkt dat er nog een kans is, ook al is deze nihil, op het voorkomen van verlies dan nemen ze doorgaans meer risico. Juist in de poging een dreigend verlies te voorkomen maakt een kat in het electorale nauw rare sprongen. Maar zodra dat verlies is gerealiseerd verandert het referentiepunt. Het oude doel (meerderheid behouden) is een gepasseerd station, en daarmee verandert direct de politieke rekensom.
De kosten-baten-afweging is nu een van vasthouden of koers wijzigen. Donald Trump erkende dat de oorlog en de hoge benzineprijzen de Republikeinen hebben geschaad, en vice-president J.D. Vance wees Iran expliciet aan als de oorzaak van de nederlaag. Interessant is dat ze beiden gezichtverlies proberen te voorkomen maar allebei een andere rekensom maken.
Trump verwerpt dat de beslissing verkeerd was. I did the right thing. I would have done it again. I would have done nothing differently. Hij herdefinieert het verlies. Het probleem is volgens Trump niet zozeer de oorlog maar ‘de prijs’ daarvan. De negatieve uitkomst wordt wel erkend, maar losgekoppeld van de oorspronkelijke beslissing. J.D. Vance daarentegen trekt wel een beleidsmatige conclusie: hij noemt de oorlog zelf reden voor het verlies. Overigens is dit geen teken dat hij meer voortschrijdend inzicht heeft dan Trump: Vance zei er meteen bij dat zijn eerdere advies om de oorlog te beëindigen juist was. Beiden gebruiken dus het electorale verlies als argument om hun eigen positie te rechtvaardigen.
Vanaf januari: een partij, drie overlevingsstrategieën
Democraten hebben de beide kamers gewonnen en dus is er sprake van een verdeelde regering. Republikeinse congresleden zijn niet langer in de meerderheid, maar de Republikeinse president die verantwoordelijk is voor de oorlog blijft zitten. Hierdoor krijg je een splitsing van politieke verantwoordelijkheid en electorale prikkels binnen eenzelfde partij. Onderzoek naar Amerikaanse war powers laat zien dat congresleden de president veel meer ruimte geven als die van hun eigen partij is, maar de vraag is of de Republikeinen in het Congres deze na zo een grote nederlaag zullen geven.
Het is een situatie die ik zelf nooit in mijn proefschrift direct heb gemeten. Wel is het, bekeken vanuit de theorie, een zeer goede mogelijkheid dat Trump vasthoudt en zelfs bereid is opnieuw en meer militaire risico’s te nemen in de hoop om als nog een uitkomst bij elkaar te Vietnammen waardoor hij de interventie achteraf alsnog als een groot succes kan presenteren (en dus kan laten zien dat hij al die tijd al gelijk had). Zeker voor presidenten die in hun laatste termijn zitten - en dus (vooralsnog) niet herkozen kunnen worden - gaat het niet alleen om populariteit van de partij, maar ook die van zichzelf. Hoe gaan ze de geschiedenis in?
Het referentiepunt van Republikeinse congresleden is eerder gedreven in de wens om hun electorale positie te herstellen, en hebben dus een tegenovergestelde prikkel: afstand nemen van beleid wat een bewezen electorale liability is. Politici binnen eenzelfde partij kunnen immers verschillende referentiepunten hebben en dus op andere dimensies verlies en winst ervaren.
De meest interessante actor is J.D. Vance. Hij heeft een heel ander probleem als het gaat om politieke overleving. Nu is hij als vice-president onderdeel van de regering, maar ook een potentiële politieke toekomst (sowieso ambities) ná Trump. Hij wees erop dat ‘losing the Senate for six years’ problematisch was: de kosten van de Iran-oorlog formuleert hij niet in militaire termen, maar in termen van de institutionele positie van de Republikeinen. Was de oorlog het verlies van het Senaat waard?
Al voor de verkiezingen werd beschreven dat Iran spanning opleverde tussen zijn loyaliteit aan Trump. Vance was eerder terughoudend over de oorlog. En Vance was, zo is te lezen in de Washington Post, al intensief campagne aan het voeren voor Republikeinse kandidaten om vast wat witte voetjes te halen.
Wie weet willen die politici hem later steunen.
DieuwsNieuws baseert zich het liefst op (eigen) onderzoek: steun mijn werk en word lid!
Een eenmalige bijdrage is ook mogelijk:





"Twee dingen zijn oneindig: het universum en de menselijke domheid; en van het universum weet ik het nog niet helemaal zeker." (Albert Einstein).