Trouw en Volkskrant nemen claim 'militarisering onderwijs en universiteit' klakkeloos over
Niemand legt uit wat het is, maar het is wel HEEL ERG

Vorige week keerden docenten zich ‘tegen de promopraatjes van Defensie’ in Trouw, en pleitten zij tegen de ‘militarisering van onderwijs’. Deze week kopte ook de Volkskrant dat ‘een deel van de academische wereld principieel tegen’ deze vermeende ‘militarisering’ is. Niemand legt uit wat het precies is, maar u moet het allemaal heel erg vinden.
Dat anti-militaire sentimenten volop rondwaren in academische wandelgangen, mag geen verrassing heten. Een goede kennis die onderzoek deed naar nucleaire afschrikking werd verweten ‘rechts onderzoek’ te doen. Zelf kreeg ik tijdens mijn promotie te horen dat ik ‘activisme’ zou bedrijven door in mediaoptredens te wijzen op politieke ambities die niet strookten met het budget van de krijgsmacht. De conclusie dat Defensie destijds niet genoeg geld had om haar grondwettelijke taken uit te voeren opvatten als een vorm van activisme, zag ik juist weer als een vorm van politisering. Laten we het erop houden dat het gesprek hierover met het afdelingshoofd eindigde in een agree to disagree.
Dat vanuit diezelfde academische wereld nu stemmen opgaan tegen de vermeende ‘militarisering’ van onderwijs en wetenschap valt dus in de lijn der verwachting. Desalniettemin zijn de gronden waarop uitermate teleurstellend: er worden zware termen gebruikt (‘militarisering’) zonder onderbouwing. Nog los van de gebrekkige logica en blinde (Chinese) vlekken.
Wat mis lijkt te gaan, is het onderscheid tussen wetenschappelijke expertise (de kennis over hoe iets werkt), dat niet hetzelfde is als politiek-ethisch gezag (bepalen wat we zouden moeten willen met zijn allen).
Defensie, militair. Potayto, potahto
Wat opvalt in zowel Trouw als Volkskrant, is dat de criticasters nergens aangeven wat ze precies bedoelen met militarisering. Ook wordt Defensie en alles wat militair is (of een militaire toepassing zou kunnen hebben) doorlopend op één en dezelfde hoop gegooid.
Volkskrant signaleert dit slechts half, door op te merken dat universiteiten zelf actief het woord ‘Defensie’ vermijden en spreken over ‘weerbaarheid’ en ‘veiligheid’ om de associatie met ‘militair’ te vermijden. Maar de kritische academici in het stuk doen feitelijk hetzelfde, maar dan omgekeerd: zij plakken ‘Defensie’ en ‘militarisering’ aan elkaar alsof elke samenwerking met het Ministerie van Defensie (of de Nederlandse Defensie Academie, NLDA, wat niet hetzelfde is als een ministerie als politieke organisatie) zich direct vertaalt in letterlijke pew-pew-pew.
Kortom: de universiteiten doen aan begripsvervaging om geen gezeik te krijgen over samenwerkingen met Defensie, en de criticasters doen aan begripsvervaging om elke vorm van samenwerking te presenteren als een gateway drug naar genocide en oorlogsmisdaden (want: Israël). Ondanks alle titels die de revue passeren, wordt nergens ontleedt dat ‘Defensie’ op zichzelf al drie dingen kan zijn: een ministerie als politiek orgaan, een operationele krijgsmacht in de praktijk, maar ook een geldschieter van een onderzoeksinstelling - zoals de NLDA. Dus waar ze het nu precies over hebben als het gaat over ‘Defensie’ en ‘militarisering’? Geen idee.
Een half voorbeeld wordt gegeven door te verwijzen naar een ‘arsenaal aan dubbelhoogleraren’ die Nederlandse universiteiten kennen. Zo zijn er hoogleraren die een leerstoel hebben aan de NLDA én aan een civiele universiteit, zoals de TU Delft of de UvA. Het feit dat de NLDA zich heeft aangesloten bij de koepelorganisatie voor universiteiten wordt genoemd als voorbeeld van de nauwe verwevenheid (Defensie zit echt overal tegenwoordig!), allen is dit geen eenrichtingsverkeer: de NLDA moet hierdoor ook voldoen aan zekere gedragscodes omtrent wetenschappelijke integriteit en peer review-normen. Je kan het toetreden tot deze koepel (dus) net zo goed uitleggen als een ‘civilisatie’ van de NLDA, als een militarisering van de ‘gewone’ universiteit (waarmee het dus geen bewijs voor het een, noch het ander is).
Daarnaast is financiering an sich geen argument. Althans, niet als je doet alsof hier ‘iets nieuws’ gaande is wat ons zorgen moet baren. Zo zijn er leerstoelen die worden bekostigd door RIVM en dus indirect door VWS, vakbonden, partij-denktanks (zoals de Wiardi Beckman Stichting van de - voormalige - PvdA of door het CDA), en in het verleden zelfs door chique media zoals NRC.
Eerder heeft Nieuwsuur (terecht) items gemaakt over hoe de Belastingdienst en grote consultantkantoren universiteiten sponsorden via onder meer bijzondere leerstoelen. Maar hieruit concludeerden de journalisten niet meteen een ‘verconsultantisering van academia’ en samenleving.
Tot slot wordt er geen enkel voorbeeld genoemd waarin niet-militair onderzoek is teruggedrongen ten faveure van ‘militarisering’, of een onderzoeksvoorstel is afgewezen omdat het niet bij Defensie (in welke hoedanigheid dan ook) paste. De claims van de critici (‘normalisering van het idee dat oorlog ophanden is’) vallen vooral in het vakje ‘cultuurkritiek’ of ‘politieke opvatting’, maar zijn geen empirisch onderbouwde claim over verschuivende onderzoeksprioriteiten door het ‘oprukken van Defensie aan Nederlandse universiteiten’.
Wapens zijn niet (im)moreel
Niet alleen Defensie, zelfs het label ‘militair’ blijkt lastig. Mark Voskuijl, hoogleraar wapen- en luchtvaartsystemen aan de NLDA en gastdocent aan de TU Delft, constateert dat er bijna geen onderzoek te bedenken is zonder militaire toepassing: ‘De technologie achter de wieken van een windmolen is dezelfde als die van verkenningsdrones die heel lang en ver kunnen vliegen - China en Israël gebruiken ze. En een betere techniek voor MRI-scanners kan ook gebruikt worden voor betere radarsystemen’. Als alles dual use is, is de term leeg: het kan niets meer uitsluiten.
Aan de andere zijde is daar hoogleraar ethiek aan de TU Eindhoven Filippo Santoni de Sio, die ‘samenwerking specifiek gericht op wapens afraadt’, maar ook dat zegt: helemaal niets. Wie bepaalt de intentie of in de toekomst bepaalde technologie voor wapens zal worden gebruikt, en wie heeft vervolgens iets te zeggen over de grenzen van dat gebruik, en op basis van welke criteria precies? Wanneer is eigenlijk iets precies een wapen: gaan we daarvoor EU-goederenlijsten hanteren? De TU Eindhoven ‘is nog bezig met beleid’ op dit gebied, en zelfs áls die scheiding in de praktijk knip-en-klaar is te maken (spoiler: is het niet), blijft de one vraag to rule them all: waarom onderzoek naar ‘wapens specifiek’ de facto ethisch niet verantwoord zou zijn?
Wapens kunnen immers een niet-offensief doel dienen (afschrikking, zelfverdediging), dus ‘specifiek gericht op wapens’ is niet automatisch ethisch inferieur aan ‘civiel met toekomstig militair gebruik als bijeffect’. Daarnaast zijn wapens op zichzelf niet ethisch of onethisch. Wapens dragen zelf geen moraliteit, dat doet degene die ze gebruikt, tegen wie, onder welk gezag en met welk doel. Een Nederlandse militair die zich verdedigt tegen een invasie van bodysnatchers of een oorlogsmisdadiger die een burgerdoelwit raakt, kunnen hetzelfde wapen gebruiken. De ethische beoordeling over object en inzet van het object (want: Israël!) worden ook in het Volkskrant-artikel gebruikt alsof ze uitwisselbaar zijn (en daarmee wederom op één hoop gegooid).
Trouw maakt het (uiteraard) helemaal bont, want daar laat de krant docenten aan het woord die ‘vredesbouwers’ willen opleiden. De huidige boodschap van de overheid (zonder die verder te specificeren) zou daar ‘haaks’ op staan. Dat je het gebruik van militaire middelen om politiek te bedrijven afkeurt, is je goed recht. Net als het bepleiten van een wervingsleeftijd van 25 in plaats van 17. Maar dit zijn politieke standpunten, geen neutraal-pedagogische opvattingen.
Om de gekkigheid van het niet bevragen van politieke standpunten door journalisten te benadrukken, een gedachte-experiment. Stel, er komt een docent met een net zo legitiem, maar compleet tegenovergesteld, politiek standpunt, die zegt: ‘ik ga paintballen met mijn leerlingen om ze op te voeden tot weerbare verdedigers van de rechtstaat’. Deze zou óók in de krant terecht komen, maar waarschijnlijk in een iets ander daglicht.
Oftewel: één kant van het spectrum werpt zich op als een neutrale correctieve beweging tegen ‘propaganda’ terwijl ze net zo goed een politieke positie in innemen. Dat media zoals Trouw en Volkskrant hier stiekem hetzelfde over denken, zie je aan het ontbreken van kritische vragen. Vragen als: wat bedoelt u precies met militarisering? Wat verstaat u onder Defensie? Wat valt voor u onder militaire en civiele wetenschap, is dat onderscheid wel te maken? In hoeverre is financiering vanuit Defensie van onderzoek wezenlijk anders dan vanuit andere ministeries (zoals VWS naar het RIVM, met leerstoel)? Waarom is onderzoek dat specifiek gericht is op wapens volgens u ethisch verkeerd?
Geen enkele vraag om nadere uitleg, want de claims gaan erin als zoete koek.
TSJAINA!
Zeker wanneer het gaat over de vermeende ‘militarisering van universiteiten’ is het interessant op te merken dat China slechts één keer wordt genoemd, namelijk in het Volkskrant-artikel, als voorbeeld bij welke landen drones gebruiken. Terwijl kennisveiligheid en de buitenlandse beïnvloeding (vooral Chinese!) van onderzoek aan Nederlandse universiteiten juist al jaren een hoofdpijndossier vormt.
Europese universiteiten (dezelfde die nu dus samenwerkingen met Israël opzeggen) werken intensief samen met militaire universiteiten in China. Zo vonden mijn collega’s van Follow the Money dat sinds 2013 Europese onderzoekers minstens 2.994 keer gepubliceerd hebben met onderzoekers van het Chinese Volksbevrijdingsleger, waardoor veel gevoelige technologie lekte naar China. De AIVD en de MIVD toonden aan dat China kennis verzamelt via Chinese promovendi, verbonden aan Nederlandse universiteiten, van wie sommigen informatie doorspelen die ten goede komen aan Chinese militaire technologie en wapensystemen.
Als het gaat om onwenselijke militaire invloed in het Nederlandse onderwijs en het risico van ‘dual use’, is dat het eerste waar ik aan denk. Niet aan een hoogleraar van de NLDA, die ook enkele dagen per week onderzoek doet en lesgeeft aan de UvA.
Dat is dus het probleem: iedereen gebruikt het woord ‘militarisering’ (niet het meest milde label), maar niemand maakt duidelijk wat hij of zij daar precies mee bedoelt. In de kern gaat militarisering om de organisatie van de samenleving rondom toepassing van geweld, een verhoging van het geweldsniveau en het drillen van een samenleving (en deze een zekere gehoorzaamheid op te leggen). Een academische samenwerking met onderzoekers die in dienst zijn van een geweldsorganisatie, zoals Defensie, is niet hetzelfde als het verschuiven van academische normen en waarden in die richting.
Laat ik het zo zeggen: er zit een nogal groot gat tussen samenwerkingsverbanden met Defensie en het organiseren van de algehele samenleving rondom geweld.
Een symptoom waar hoogleraar Martijn Kitzen (ook verbonden aan de NLDA én de Universiteit Leiden, dus iemand uit het ‘arsenaal’) twee weken geleden in een interview alhier voor waarschuwde. Als iedereen opportunistische definities hanteert maar ook niet duidelijk maakt wat hij of zij nou precies bedoelt, is er volgens Kitzen ‘geen gezamenlijke plattegrond van de situatie waar we nu inzitten’. Dat wordt in een discussie moeilijk navigeren.
Of juist heel makkelijk, want er resten in deze discussie eigenlijk maar twee posities: sta je aan de kant van de ‘vrede’ of van ‘oorlog’?
Juist omdat de voorwaarden voor militarisering nergens expliciet worden gemaakt, kan de beschuldiging nooit weerlegd worden. Als je een verwijt niet kan weerleggen, kun je jezelf er ook nooit tegen verdedigen. Tegelijkertijd stuurt het label (‘militarisering’) hoe je naar iets kijkt (als iets onethisch, gewelddadig, negatief, met onbetrouwbare intenties), zonder ooit getoetst te hoeven worden aan feiten.
Hier zouden de spidey senses van collega-journalisten dus moeten gaan tintelen: als mensen (zelfs - of misschien juist - als ze een mooie titel voor de naam hebben) grote claims neerleggen zonder deze concreet te maken in de meest basale termen van hoe, waarom, wat, wanneer en hoezo, willen ze zélf niet onderworpen worden aan de toetsing van hun eigen claim. Maar zo zijn we (als het goed is) in de journalistiek natuurlijk niet getrouwd: wie stelt, bewijst.
Zolang de hooggeleerde critici niet verder komen dan ‘onderzoek prima tot “het leger” er “iets” mee wil doen’, zie ik vooral een handvol activisten die via de media een arbitrair veto op de toepassing van kennis proberen op te eisen.
Laat dat nou nét zijn hoe wetenschap niet hoort te werken.
Steun mijn werk, laat je volledig militariseren en schrijf je in, deel het artikel of overweeg een lidmaatschap
Uiteraard is een bijdrage aan mijn financiële weerbaarheid ook mogelijk!




